Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op het onderwijs wel wenschelijk geacht kan worden. Er bestaat namelijk tusschen onderwijs en telegrafie, leger, posterijen, waterstaat, belastingen enz. een belangrijk verschil. Hier toch wordt doode stof behandeld, daar geldt het de bewerking van den kindergeest. Volgens vaste regelen kunnen brieven worden behandeld, batterijen opgeworpen, sluiswerken aangelegd, belastingbiljetten ingevuld of bevolkingsregisters bijgehouden worden, al zou de daarmee belaste zelf liever een ander systeem toepassen. Daar ook ligt voor volgende uitvoerders het reeds verrichte duidelijk waarneembaar, zijn fouten of leemten vrij licht te vinden en als verandering of verbetering aangebracht moeten worden, is meestal de schade te voorkomen of te herstellen. Anders is het echter bij het onderwijs. Geen goed, geen opvoedend, karaktervormend onderwijs is mogelijk, indien niet de onderwijzer de overtuiging bezit, dat de gevolgde weg de beste is, dien hij kiezen kon. Waar toch hangt zooveel af van de wijze van uitvoering als bij ons vak, waar toch moet zooveel worden vertrouwd op het inzicht van den uitvoerder, op zijn geheele persoonlijkheid, als bij het onderwijs. Onjuist daarom is de meening, dat het mogelijk zou zijn goed onderwijs te geven aan een school, eenige personen te doen samenwerken tot de opvoeding van zeker aantal kinderen volgens een plan niet door de uitvoerders zelve gekend en begrepen, zooveel mogelijk met instemming aangenomen; onjuist dus de meening, dat het hoofd der school zou kunnen zijn de alleenheerscher, die voorschijft, wat de onderwijzers moeten uivoeren. Geen vruchtdragend onderwijs zonder gemeenschappelijk overleg over doel en middelen. Zoo is dus reeds de oude toestand veroordeeld.

Daar kwam na de wet van 1878 een belangrijke verandering. Door de verbeterde opleiding der onderwijzers, bij de wet voorgeschreven, steeg het peil van de ontwikkeling der onderwijzers, terwijl het aantal van hen, die niet aan het hoofd eener school geplaatst konden worden, hand over hand toenam. Had de wetgever in 1878 nauwkeurig acht gegeven op de teekenen des tijds, dan had hij toen reeds kunnen waarnemen, dat er verandering in aantocht was. In 1857 was het aantal onderwijzers nog veel kleiner dan dat der schoolhoofden: van de eersten waren er toen 2419 mannelijke en 559 vrouwelijke, van de laatsten 3098 mannelijke, 352 vrouwelijke. In 1878, dus slechts 20 jaar later, was het aantal mannelijke onderwijzers toegenomen met 72 °/o, het aantal

Sluiten