Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noodig, dat die werklieden, welke uitmunten zoowel in geschiktheid als in ijver en gedrag, in den loop der jaren een loon in overeenstemming met hunne geschiktheid kunnen verdienen, terwijl ook zij, die niet bepaald uitmunten, doch tot de goede werkkrachten kunnen worden gerekend, niet van elke loonsverhooging worden verstoken, als zij een bepaalde hoogte hebben bereikt, doch langzamer en binnen engere grenzen opklimmen.

Om dit alles mogelijk te maken is het noodig aan de bepalingen betreffende het loon een sterke mate van rekbaarheid te geven, die zij onder het bestaande reglement niet hebben, omdat het loon verband houdt met den titel van den werkman. De commissie wenscht daarom den werkman in zijn aanstelling niet meer een bepaalden titel toe te kennen, doch daarin slechts aan te geven, voor welke soort van werkzaamheden hij wordt aangenomen. Voorts wenscht de meerderheid der commissie in het reglement de in art. 33 genoemde loonklassen op te nemen en den werkman bij zijne aanstelling in één dier loonklassen te plaatsen. In welke dit geschieden moet, moet in de eerste plaats samenhangen met den aard van zijne werkzaamheden. Het spreekt van zelf, dat een timmerman niet hetzelfde aanvangsloon kan hebben als een straatveger. De bedoeling der meerderheid is ook niet aan alle werklieden hetzelfde loon toe te kennen, doch ieder van hen in de gelegenheid te stellen een loon te verdienen, dat een juiste afspiegeling is van de diensten, welke hij aan de Gemeente bewijst. De rangschikking in een loonklasse kan een blijvende zijn, d. w. z. de bekwaamheid en de ijver van den werkman kunnen van dien aard zijn, dat hij nooit tot een hoogere loonklasse kan worden bevorderd.

Bevordering toch moet slechts plaats hebben, als zij verdiend wordt. In principe is er dan ook volgens de Commissie geen bezwaar tegen, dat b.v. een uitmuntende grondwerker meer verdient dan een middelmatige timmerman.

Van dezen grondslag uitgaande heeft de Commissie er naar gestreefd een regeling van de loonen te ontwerpen, die voor alle dienstvakken zou kunnen gelden."

De reglementen leveren het bewijs, dat nu eens het eene dan het andere stelsel is gevolgd. De Amsterdamsche Raadscommissie ad hoe kon zich echter met het door de hoofdambtenaren voorgestane stelsel niet vereenigen. „Zij meent, dat uit dit stelsel op den duur niet alleen eene groote verscheidenheid van loonen voor

Sluiten