Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van groot gewicht is ook de totstandkoming van een dergelijk bestuur. In de eerste plaats neemt men algemeen aan, dat beide groepen van direct belanghebbenden in zelfde getale in het bestuur vertegenwoordigd moeten zijn. Noch de werkgevers noch de werknemers moeten ééne meerderheid vormen, daar de ondervinding opgedaan, bewijst, dat dit niet bevorderlijk is, voor het welslagen van eene dergelijke instelling. Hebben de arbeiders de meerderheid, dan zullen de ondernemers niet altijd vertrouwen stellen in de leiding; vormen de patroons de meerderheid, dan zal niet immer bij de werklieden het noodige vertrouwen gevonden worden. Om de leiding van de beurs hoog te stellen, om het vertrouwen aan te wakkeren bij de belanghebbenden, dat de leiding niet geschied in het belang van eéne partij, partijdig, maar in het belang van alle belanghebbenden, onpartijdig, acht men het wenschelijk, dat aan het hoofd van het bestuur komt te staan noch een werkgever noch een werknemer, maar iemand, die geacht wordt niet direct tot een der beide categorieën te behooren. Wanneer de stemmen staken, verschil van meening heerscht, enz. zal zeer veel afhangen van de leiding van den voorzitter, van zijn beslissende stem, zoodat hiertoe een persoon gekozen moet worden, die door zijn gezag, zijn kennis en zijn karakter het vertrouwen van beide partijen verdient.

De gedachte van zelfbestuur uitwerkend, zou dit er toe moeten leiden de belanghebbenden direct hunne vertegenwoordigers te doen kiezen.

Het bestuur van de vroegere Amsterdamsche Centrale Arbeidsbeurs, geëxploiteerd door een afdeeling van de „Maatschappij van den Werkenden Stand" met een groote gemeente-subsidie, deed in haar adres aan den Raad een poging in die richting, toen het voorstelde de bestuurders door de vakvereenigingen te doen aanwijzen. Met dit ver-strekkende voorstel is de Raad van de hoofdstad op prae-advies van B. en W. niet meegegaan. In zijn vergadering besloot de Raad in Mei 1908, dat de bestuursleden zullen benoemd worden door B. en W., na uitnoodiging aan de te Amsterdam zetelende Kamers van Arbeid om voor ieder te benoemen lid en plaatsvervangend lid een aanbeveling van twee personen in te zenden. Volgens dit besluit zal de voorzitter, noch patroon nóch werkman, worden benoemd

door den Raad.

Hiermee werd het Haagsche voorbeeld gevolgd, daar de Raad

Sluiten