Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mate de wagen door de zwaartekracht sterker op den grond wordt gedrukt.

§ 98. Voortslaan of voort werpen van een lichaam. Welke snelheid een kracht teweegbrengt, hangt ook af van den tijd gedurende welken zij werkt.

Men kan dan ook niet zeggen dat, om aan een lichaam een zekere snelheid te geven, een kracht van bepaalde grootte noodig is. Hoe groot de kracht moet zijn, hangt af van den tijd waarin men wil dat zij de verlangde snelheid teweegbrengt.

Stel b.v. dat wij aan een bal met een massa van 500 gram een snelheid van 200 cm per seconde willen geven.

9(X)

Wij kunnen hem daartoe gedurende = 0,204 seconde

«Jol

laten vallen; daarbij werkt er een kracht van 500 x 981 dynes op. Maar wij kunnen er ook een tweemaal zoo groote kracht gedurende 0,102 sec, of een tweehonderd maal zoo groote gedurende 0,00102 sec op laten werken. Als wij den bal de snelheid van 200 cm geven door hem met een hamer voort te slaan, kunnen wij uit de snelheid noch de grootte van de kracht afleiden, noch den tijd gedurende welken deze gewerkt heeft. Het eenige wat wij kunnen zeggen, is dat het product van beide een bepaalde waarde heeft. Immers, uit de formule (14) volgt dat, als de kracht K, gedurende den tijd r werkende, aan de massa in de snelheid v geeft,

Kt = m v (18)

is.

Bij krachten die gedurende zeer korten tijd werken en dus, zooals men wel zegt, plotseling een snelheid aan een lichaam geven, wordt het product Kt de grootte van den stoot genoemd.

§ 99. Hoeveelheid van beweging. Men kan, als een stoffelijk punt een snelheid v heeft, in de richting daarvan een vector uitzetten, waarvan de grootte het product van v met de massa m voorstelt. Deze vector wordt als de voorstelling der „hoeveelheid van beweging" van het punt beschouwd, en ook zelf de hoeveelheid van beweging genoemd.

Sluiten