Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jflo*.

Twee dergelijke inkleedingen zijn bij vele vraagstukken mogelijk.

b. Evenwicht op een hellend vlak. Een vlak dat een hoek « met een horizontaal vlak maakt, worde door een verticaal vlak dat er loodrecht op staat, volgens de lyn A B gesneden (* ig. 83). M zij een lichaam, dat op het hellende vlak geplaatst is, en de vector M Q stelle het gewicht Pdaarvan \oor. Men kan dan M Q ontbinden in de kracht MS evenwijdig aan AB, en de kracht M R, loodrecht daarop.' *"'g- 83. De laatste kracht kan geen bewe¬

ging doen ontstaan; zij drukt liet lichaam alleen tegen het hellende vlak aan en wordt door den tegenstand daarvan opgeheven. De component

MS — Psin cc

is het, die liet lichaam langs AB naar beneden drijft. Door een kracht F van dezelfdn irmnttf. ,i;„ .1,,

!-}• , UIU III ui"

richting van B A naar boven werkt kunnen wij het lichaam in evenwicht houden.

Is het vlak volkomen glad, dan /.al het lichaam onder de werking van de kracht F, zoodra deze iets grooter is dan Psin «, naar boven gaan, en dit zal zelfs gebeuren als b — Psin« is, zoodra liet lichaam een beginsnelheid naar boven heeft. In dezen zin kan men zeggen dat een kracht Psina voldoende is 0111 het lichaam langs het hellende vlak op te trekken.

Van de omstandigheid dat deze kracht bij een kleinen hellingshoek veel kleiner wordt dan het gewicht P, wordt menigmaal partij getrokken (scheepstimmerwerf, weg op de helling van een berg).

Een lichaam kan op het hellende vlak ook in evenwicht zijn als er, zooals in Fig. 84, een kracht F op werkt in een \an BA afwijkende richting; een dergelijk geval doet zich voor als 't lichaam aan een koord, dat niet evenwijdig aan BA loopt, is bevestigd. Om nu deevenwichtsvoorwaarde op te maken moet men bedenken dat op het lichaam drie krachten werken, nl. de zwaartekracht, de

Sluiten