Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

punten op elkaar uitoefenen. Men moet daarbij bedenken dat als K de kracht is, die het punt P van het punt P' onder\ indt, en A' de kracht die het daarop uitoefent, de et beid van beide in rekening moet worden gebracht. Die van K hangt af van de verplaatsing van P, de arbeid van K' daarentegen van de verplaatsing van P'.

§ 126. Arbeidsvermogen van plaats in het geval der zw«i«ii tekiuclit. Stel dat men bij et1!) of ander verschijnsel te doen heeft met een lichaam van het gewicht P, dat bij zijn beweging altijd boven een zeker horizontaal vlak F, b.v. het blad van een tafel blijft. Bevindt het zich in een bepaalden stand, dien wij door de letter A zullen aanduiden, op een hoogte h boven dat vlak. dan kan het medium, waaraan wij do op t lichaam werkende kracht toeschrijven, een arbeid Ph op het lichaam doen als dit zich naar het vlak V beweegt. Wij drukken dit uit door te zeggen dat fafolSÏ het medium, bij den stand A van liet lichaam, een ar-

l beulsvermogen

, U=Ph (K),

heeft.

Daar deze grootheid van de plaats van liet lichaam afhangt, heeft men er don naam arbeidsvermogen van plaats aan gegeven. Dikwijls zegt men ook dat het lichaam zelf dit arbeidsvermogen heeft. Tot deze niet geheel juiste spreekwijze is men gekomen, omdat men de middenstof buiten beschouwing wilde laten.

Er wordt nu weer voldaan aan den regel van § 114: daalt het lichaam een eind, maar niet geheel tot in het \lak V, dan is de arbeid dien het medium doet, gelijk aan de vermindering van zijn arbeidsvermogen. Is nl. do hoogte eerst h, en later //, dan is de daling in verticale lichting ti fi, en dus (§ 120, d), onverschillig langs welke lijn het lichaam uit den eenen naar den anderen stand is gegaan, de arbeid P{h — h'). Daar het arbeidsx 'erniogen van plaats eerst door t) h en later door P h' wordt voor¬

gesteld, is werkelijk de arbeid van de zwaartekracht gelijk aan de vermindering van het arbeidsvermogen van plaats.

Sluiten