is toegevoegd aan uw favorieten.

Beginselen der natuurkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behoud van haar richting en grootte in een punt buiten die lijn liet werken, zou zij een andere uitwerking hebben.

De kracht B H, waardoor wij zooeven A F vervingen, verricht bij elke oneindig kleine verplaatsing van het lichaam een even grooten arbeid als de kracht A F zelf.

§ 159. Gelijkwaardige stelsels van krachten. Tn het algemeen kan men zeggen: als twee stelsels van krachten, op een vast lichaam werkende, bij elke oneindig kleine verplaatsing daarvan denzelfden arbeid verrichten, heeft het eene stelsel dezelfde uitwerking als het andere, en kan dus daardoor worden vervangen.

Dergelijke stelsels van krachten zullen wij gelijkwaardig noemen.

Laat (Fig. 111) de krachten A

Fig. UI.

liet eono stelsel vormen, <le krachten H

liet andere. Stel, dat alleen liet eerste stelsel op liet lichaam werkt. Men kan dan, zonder iets aan den toestand te veranderen, do krachten B aanbrengen, als men geljjktijdig do door C voorgestelde krachten laat werken, dio gelijk en tegengesteld zijn aan li en deze dus opheHen. Daar nu volgens do onderstelling de krachten B bij elke verplaatsing een even grooten arbeid verrichten als de krachten A, moet do arbeid dor krachten C zich van dien van het stelsel A alleen door het teeken onderscheiden. De stelsels A en C te

zamen verrichten dus nooit een arbeid, waaruit volgt dat zij evenwicht met elkaar maken. Het is dus geoorloofd ze geljjktjjdig weg to nomen, en dan houdt men alleen de krachten B over, in plaats van het oorspronkelijke stelsel A.

In de volgende § § vindt men verschillende voorbeelden ter toelichting. Wij zullen daarbij ter bekorting niet steeds alle mogelijke verplaatsingen van het lichaam bespreken.

§ 1G0. Evenwijdige krachten. Zijn twee dergelijke krachten AP en BQ (Fig. 112) naar dezelfde zijde gericht, dan zijn zij gelijkwaardig met een enkele kracht CR, die dezelfde richting heeft, gelijk is aan de som van de gegeven krachten, en in een punt C tusschen A en B aangrijpt, waarvan de ligging bepaald wordt door de evenredigheid

AC.BC — BQ.AP . . . . . (2)

Omdat CR — AP-\-BQ is, zal nl. bij elke verschuiving

pa.feci