Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn <le koorden onrekbaar, dan is ook de arbeid van hun spanning 0, want de twee punten waarop deze werkt, verplaatsen zich dan in de richting van liet koord evenveel, het eene volgens de spanning die er op werkt, het andere in tegengestelden zin.

Eindelijk mag ook van de verandering van het inwendige arbeidsvermogen der koorden worden afgezien; alleen in sommige gevallen waar deze vrij stijf zijn en hun kromming verandert, zou men «lat niet mogen doen.

Er zijn derhalve vele gevallen, waarin men alleen op de uitwendige krachten die op de deelen van een werktuig werken, behoeft te letten. I)an geldt voor het geheele werktuig de beschouwing die in § 156 voor een enkel lichaam werd meegedeeld.

Er zal dus evenwicht zijn, als bij elke oneindig kleine verplaatsing de arbeid van de krachten 0 is, een voorwaarde die bijzonder eenvoudig wordt, wanneer er maar twee krachten zijn, nl. een beweegkracht F en een te overwinnen weerstand P Zijn id. f en p de projectiën van de oneindige kleine verplaatsingen der aangrijpingspunten op de lijnen langs welke F en P werken, en noemen wij de eerste dier projectiën positief, als zij in richting met de kracht overeenstemt, en de tweede, als haar richting tegengesteld aan P gericht is, dan moet

Ff=Pp

zijn.

I^nwnonrf viV'h Imf A i I ^ •

Beweegt zich het werktuig, dan is de totale arbeid I' f Pp gelijk aan de vermeerdering van de kinetische energie. Bij langzame bewegingen mag men van deze laatste afzien; men komt dan tot de vergelijking (3) terug, en mag de daardoor bepaalde waarde van F niet alleen als de kracht beschouwen, die met den weerstand 1 (f enwii ht maakt, maar ook als die, welke gedurende de beweging den weerstand overwint. Hetzelfde geldt ook wanneer de beweging met grootere snelheid plaats heeft, als deze maar voortdurend even groot is. Dan blijft nl. ook de kinetische energie onveranderd, zoodat weer Ff—Pp = 0 moet zijn.

jflj'J.

Sluiten