Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pol

Alleen dan mag natuurlijk deze stelling worden toegepast wanneer van de werking der zwaartekracht mag worden afgezien, dus in die gevallen, waarin de druk dien de zwaartekracht in de onderste lagen veroorzaakt, klein is in vergelijking met den druk die op andere wijze ontstaat. Als voorbeeld kan een gasmassa van matige afmetingen dienen, of een vloeistof waarop door een zuiger een groote kracht wordt uitgeoefend (het water in een hydraulische pers).

Is eenmaal een vloeistofmassa op het binnenste waarvan geen uitwendige krachten werken, in evenwicht, en vervangt men dan het binnen een gesloten oppervlak liggende deel door een willekeurig vast lichaam van gelijken vorm, zonder aan den druk van de omringende vloeistof iets te veranderen, dan moeten de krachten die deze op dat lichaam uitoefent, elkaar nog altijd opheffen. Van daar de stelling, die men trouwens ook meer rechtstreeks bewijzen kan: werkt op een willekeurig lichaam van alle zijden een even groote normale druk, dan heffen al deze krachten elkaar op, wat de beweging van het lichaam in zijn geheel betreft.

Men kan zich van deze uitkomst somtijds bedienen, om de resultante te vinden van een overal even grooten nor¬

malen druk, die op een niet gesloten gebogen oppervlak werkt. Wil men dit b.v. doen voor de in Fig. 182 aangewezen drukkingen op het halve boloppervlak a b c, dan kan men opmerken dat, wanneer ook op het platte vlak a Mc een per vlakte-eenheid even groote druk werkte.

het half bolvormige lichaam abcM in evenwicht zou zijn. De gezochte resultante li werkt dus langs de lijn b M en wordt gevonden door tien druk per vlakte-eenheid met de grootte van het platte vlak aMc te vermenigvuldigen.

§ 204. Invloed van de zwaartekracht op den inweiidigeii druk. De samenpersing van de onderste lagen van een vloeistof- of gasmassa door het gewicht van de bovenste gaat zoo ver voort, tot elk zuiltje dat men zich in de

Sluiten