Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ziel) als gasmolekulen in de ruimte daarboven bewegen. Onophoudelijk zullen eenige deeltjes dit doen, en de hoeveelheid damp zou voortdurend toenemen, als er niet ook iets anders plaats had. Molekulen van den damp kunnen nl. door hun beweging weer in de vloeistof geraken en door de aantrekking daarvan worden vastgehouden. Dit zal des te meer gebeuren, naarmate er reeds meer damp is. Ten slotte is er evenwicht, wanneer evenveel deeltjes als de vloeistof verlaten er ook weer in terug keeren , (verg. § 222).

Andere evenwichten tusschen twee phasen kan men op een dergelijke wijze opvatten.

§ 236. Kenmerken van een evenwichtstoestand. Hoe ook de dichtheid der stof van punt tot punt verandert, en hoeveel ook de naast elkaar bestaande phasen van elkaar verschillen, steeds zal in alle deelen van het stelsel de temperatuur even hoog zijn.

Het is verder gebleken dat alle zichtbare relatieve bewegingen van het eene deel der stof ten opzichte van het andere door de wrijving worden uitgeput. Wanneer het beschouwde stelsel door stilstaande wanden omsloten is, hebben er in den evenwichtstoestand in het geheel geen zichtbare bewegingen meer plaats.

$ 237. Adiabatische en isothermische veranderingen. N at men de uitdrukking dat een stelsel aan zich zelf zal worden overgelaten, letterlijk op, dan is daarmee natuurlijk ook gezegd dat er noch warmte aan het stelsel moet worden meegedeeld, noch daaraan moet worden onttrokken, dat het dus b.v. binnen een omhulsel moet zijn opgesloten, dat in het geheel geen warmte doorlaat. De veranderingen die dan nog kunnen plaats hebben, gebeuren adiabatisch (§ 228).

Niet alleen in dit geval neemt het stelsel een evenwichtstoestand aan, maar eveneens, wanneer, zooals wij ons dikwijls zullen voorstellen, de temperatuur constant wordt gehouden, en dus de veranderingen isothermisch zijn. Wil men zich hiervan verzekeren, dan moet het stelsel in aanraking worden gebracht met een lichaam van zoo

pk J

Sluiten