Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de meniscus een bolsegment, waarvan de vorm bepaald wordt door den randhoek. De theorie leert verder dat, als de meniscus de holle zijde naar horen keert, de vloeistof in de capillaire /mis hooger staat dan daarbuiten. Het tegendeel is het geval als de holle zijde van den meniscus naar boren gekeerd is. Zoo neemt men bij kink in een capillaire buis een neerdrukking waar.

Het hoogteverschil tusschen den meniscus en den uitwendigen vloeistof spiegel is in beide gevallen omgekeerd evenredig met den straal van de buis, zoo lang men met dezelfde vaste stof en dezelfde vloeistof te doen heeft en zich tot zeer enge buizen bejxialt.

De verklaring van den lagen stand van het kwik in een capillaire buis ligt voor de band. Bjj deze vloeistof overwegen de eigen aantrekkende krachten tegenover die welke van een glaswand uitgaan; zij trachten het oppervlak van de vloeistof zoo klein mogelijk te maken, en dus den dunnen kwikdraad in een capillaire buis daaruit terug te trekken.

\ ermelden wij ten slotte nog dat dergelijke hoogteverschillen als tusschen de vloeistof in de buis van Fig. 2i50 en den spiegel iS', ook bestaan bjj een U-vormige buis waarvan do beenen verschillende middellijnen hebben. Kwik staat in het enge been het laagst en water in het wijde.

Ook wanneer reeds andere oorzaken een hoogteverschil teweeg brengen, blijven de molekulaire krachten een invloed uitoefenen. Daardoor staat het kwik in de buis van een bakbarometer iets lsiger dan anders bet geval zou zjjn, en "wel des te meer naarmate de buis nauwer is. Om hiermee rekening te houden, moet men bjj het atlezen de hoogte bepalen van den top van den meniscus en bij nauwkeurige metingen eeu correctie aanbrengen.

Om eenig denkbeeld van liet mechanisme der besproken verschijnselen te geven, beschouwen wij nog eens het geval waarop Fig. 280 betrekking heeft, in de onderstelling evenwel dat de vloeistof zich niet over den buiswand uitspreidt. Stel dat de buis aan het benedeneinde door een horizontaal vlak U is afgesneden. Wij verlengen den in de buis aanwezigen vloeistofcilinder tot aan het horizontale vlak V en vergelijken de vloeistofmassa a bed met de even breede kolom a'b'c'd', die tot dezelfde diepte reikt, liet is duidelijk dat de laatste kolom van de omringende vloeistof tunschen de vlakken S en V geen kracht in verticale richting ondervindt; hij wordt dus geheel gedragen door de vloeistof beneden V.

Aan het vlak cd zijn de omstandigheden dezelfde als aan c'd'. Op de kolom a b c d wordt dus door de vloeistof beneden V een kracht naar boven

P

Sluiten