Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dien duidelijk ziet, welke twee lijnen telkens bij elkander behooren.

Gewoonlijk gaat men als volgt te werk. Op eene rechte lijn Fig j O X (Fig 1) wordt een vast punt O aan¬

genomen en de lijn U A, die eene waarde der onafhankelijk veranderlijke voorstelt, wordt van O af op O X uitgezet; daarna wordt de lijn A P, die de waarde der functie aangeeft, in A loodrecht op O X geplaatst. Het punt P geeft dan door zijne ligging twee bij elkander behoorende waarden der veranderlijke grootheden aan; elk nieuw stel waarden zal een nieuw, maar telkens

geheel bepaald punt opleveren.

Men krijgt natuurlijk het punt P ook als men nog eene tweede vaste rechte lijn 0\, loodrecht op O X, aanneemt, daarop een stuk O B uitzet, dat de waarde der functie voorstelt, en uit B, evenwijdig aan O X, eene lijn trekt tot zij A P snijdt.

Men noemt de twee lijnen door welke de ligging van P wordt gevonden, nl. O A en A P, of O A en O B, de coördinaten van dat punt, de vaste lijnen O X en O ^ de coördinaatassen en het punt O den oorsprong der coördinaten. Overeenkomstig het denkbeeld, dat men eerst van O X een stuk afsnijdt, dat de waarde der eene veranderlijke grootheid aangeeft, noemt men O A de abscis, en dan A P, de daarbij behoorende loodlijn, de ordinaat. Men kan de lijnen O X en O Y als as der abscissen en as der ordinaten onderscheiden, of ook aan elke as een naam geven, die eraan herinnert, welke beteekenis de langs die as uitgezette stukken hebben.

De verschillende punten die elk door de abscis en de ordinaat een paar bij elkander behoorende waarden der veranderlijken aangeven, zullen op eene zekere lijn liggen, die door haar loop het verband uitdrukt, dat er tusschen de veranderlijke grootheden bestaat.

Voor wij het gezegde door een voorbeeld ophelderen, merken wij nog op dat het punt P alleen dan geheel bepaald is, wanneer men weet, naar welke zijde van O af men de stukken

Sluiten