Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij het opnoemen van een vector noemt men in de eerste plaats het punt van waar uit hij wordt getrokken; het is dus niet hetzelfde of men (Fig. 31) van den vector A B of van B A spreekt.

Zoolang richting en grootte van een vector hetzelfde blijven, al wordt hij uit een ander beginpunt getrokken, zullen wij zeggen dat de vector aan zichzelf gelijk blijft. Wanneer in Fig. 31 ABCD een parallelogram is, zullen dus de vectoren AD eii BC gelijk worden genoemd.

Met het samenstellen van twee vectoren bedoelt men, dat de

tweede B C met zijn beginpunt geplaatst wordt in het eindpunt van den eersten A B, en dat vervolgens het beginpunt A van den eersten met het eindpunt C van den tweeden door eene rechte lijn A C wordt verbonden. Deze laatste is de vector

i • ï i i J 11 1

dien men „door net samenstellen uer m.

twee gegeven vectoren" krijgt; hij

wordt de resultante van A B en B C genoemd. Daarentegen heeten A B en B C de componenten van A C.

Trekt men uit A de lijn A D, evenwijdig en gelijk aan B C, dan ontstaat door de vereeniging van D met C een parallelogram. Men kan daarom ook zeggen: Om twee vectoren met elkander samen te stellen, laat men hunne beginpunten samenvallen, beschrijft op de vectoren als zijden een parallelogram en trekt daarin de diagonaal van uit het beginpunt der vectoren.

De figuur die men zoo krijgt, heet bet parallelogram van vectoren. Wanneer de grootte der twee vectoren en de hoek dien zij met elkander maken, gegeven zijn, kan men de lengte van den resulteerenden vector en den hoek dien hij met een der componenten maakt, door eene eenvoudige trigonometrische berekening vinden.

Uit den voor het samenstellen gegeven regel volgt nog dat de resultante van twee vectoren van dezelfde richting eveneens die richting heeft en gelijk is aan de som der twee componenten.

Daarentegen is de resultante van twee vectoren die juist

Sluiten