Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zien wij aan de snijpunten der lijnen met eene loodlijn op 0 T, waar de verschillende treinen op een zelfde oogenblik zijn.

De snijding van twee lijnen die men in d opmerkt, wil zeggen dat een trein een anderen inhaalt, en wel op een tijd die door de abscis O g van d, en op eene plaats die door de projectie h van het snijpunt op O C wordt bepaald. Ook ontmoetingen van treinen zijn in de figuur aangewezen.

b. Vrije val. De kromme lijn van Fig. 56 stelt graphisch voor wat in § 54 door de formule (1) werd uitgedrukt. Wanneer O A, A B, B C, CD tijdseenheden aangeven, is A a = a, Bb = 4 a, Cc = 9 o, Dd=16a. Daar de ordinaten evenredig zijn met de tweede machten der abscissen is de lijn een parabool (§ 18).

In het algemeen stelt elke kromme lijn eene niet gelijkmatige beiceging voor.

c. Trillingen. Bij eene trillende be¬

weging wordt telkens na verloop van

den trillingstijd weer hetzelfde punt der baan bereikt. Deze eigenaardigheid spiegelt zich in de graphische voorstelling hierdoor af, dat dezelfde ordinaat terugkeert als de abscis met het bedrag toeneemt, dat den trillingstijd voorstelt.

Be graphische voorstelling eener trillende beiceging is derhalve eene golflijn. Aan verschillende trillingsvormen beantwoorden evemoel golflijnen van verschillende gedaante.

Fig. 57 kan dit ophelderen. De lijnen I, II, III en IV hebben betrekking op de bewegingen die ook in Fig. 45, a,b,c,d zijn voorgesteld; daarbij valt op te merken dat de horizontale afstanden van Fig. 45 op verkleinde schaal door de verticale ordinaten van Fig. 57 worden weergegeven, zoo dat rechts in Fig. 45 beantwoordt aan boven in Fig. 57. Bij elke lijn van de laatste figuur is eene horizontale rechte lijn als as der tijden getrokken, en wel op zoodanige hoogte, dat de golflijn naar boven en naar beneden evenveel van die rechte lijn afwijkt; de ordinaten stellen dus de afstanden

Sluiten