Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De snelheid die het lichaam in Q heeft, is de resultante Q C van Q B en Q b. Uit die resultante vindt men de plaats R van het lichaam na een tweede tijdselement, terwijl de snelheid R E die het dan heeft, bepaald wordt door RD = Q C samen te stellen met de snelheid R d, die het gevolg is van de kracht Q G, die het lichaam ondervindt als het in Q is.

Op deze wijze voortredeneerende, kan men een reeks plaatsen P, Q, R, enz., die op oneindig kleine afstanden van elkaar liggen, bepalen en dus ook de geheele baan leeren kennen.

Dat in die gevallen waarin de kracht noch in richting noch in grootte verandert, het lichaam een eenparig versnelde of vertraagde rechtlijnige beweging heeft, of wel een parabool beschrijft, behoeven wij niet nader uiteen te zetten.

§ 90. Samenstelling van krachten. Menigmaal werken twee of meer bewegingsoorzaken tegelijk op een stoffelijk punt. Be ervaring heeft geleerd dat de snelheid die het punt dan ' gedurende een tijdselement krijgt, de resultante is van de snelheden die het door de krachten elk afzonderlijk krijgen zou, iets dat men (verg. § 65) ook kan uitdrukken door te zeggen dat het punt deze laatste snelheden gelijktijdig aanneemt.

Laat slechts twee krachten op het stoffelijk punt P werken (Fig. 76), die door de vectoren P A en P B worden voorgesteld.

Kig. 76. De snelheden die deze krachten, elk

afzonderlijk werkende, in een oneindig

kleinen tijd t aan het punt zouden

geven, worden, als m de massa is,

voorgesteld door

p PA PB

P a = t en P b = r.

m m

In werkelijkheid krijgt nu het punt

de snelheid die door de diagonaal

P c van het op P a en P b beschreven parallelogram wordt voorgesteld. Deze zelfde snelheid echter zou in den tijd t ontstaan, als op het punt een enkele kracht werkte in de richting van P c en met de grootte

PC = FcXm r

Sluiten