Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het verschil S' — S kunnen afzien, en voor de laatstgenoemde krachten kunnen stellen

S — P en P — S.

Daar nu deze krachten aan de massa's gelijke versnellingen naar boven en naar beneden geven, moeten zij met die masea s, en dus ook met de gewichten, evenredig zijn. Men heeft dus (S — P): (P — S) = P : P',

waaruit volgt

2 PP'

S — p p'

Hieruit vindt men voor de kracht die de massa P naar boven drijft

s P _ p(p -p)

P'-l-P

en voor de versnelling die de gewichten krijgen

P _J>

^P' + P'

§ 95. Invloed van den weerstand der lucht op den val der lichamen. Een lichaam dat zich in de lucht voortbeweegt ondervindt een weerstand (§ 76), die gebleken is des te ijrooter te zijn, naarmate de beweging sneller is. Laten wij een voorwerp vallen, dan zal het gedurende de eerste tijdsdeelen nog een zoo geringe snelheid hebben, dat van den luchtweerstand kan worden afgezien; eerst heeft het dus ten naaste bij dezelfde eenparig versnelde beweging die het in het luchtledige zou aannemen. Bij het aangroeien der snelheid treedt evenwel ook de weerstand in steeds meerdere mate op; de totale op het lichaam werkende kracht, de resultante van het gewicht en den weerstand, neemt af. De beweging is nog wel versneld, maar de snelheidsvermeerderingen gedurende achtereenvolgende gelijke tijdselementen worden kleiner en kleiner. Dit gaat voort tot dat een snelheid bereikt is, waarbij de weerstand gelijk is aan het gewicht van het lichaam. Daar dan de beide krachten elkaar opheffen, verandert de snelheid niet meer, en deze gelijkmatige beweging behoudt het lichaam, juist omdat voortdurend de weerstand evenwicht maakt met het

Sluiten