Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fig. 125.

d. Verbeelden wij ons de staaf van Fig. 123 niet met een gewicht belast, maar, nadat het benedeneinde is vastgeklemd, aan het boveneinde onderworpen aan twee in een horizontaal vlak werkende krachten, die een koppel vormen. Het deel A V der staaf moet dan van B V een gelijk en tegengesteld koppel ondervinden, dat natuurlijk alleen kan ontstaan uit tangentiale spanningen in het vlak V. Met een koppel dat gelijk en tegengesteld is aan het laatstgenoemde, en dus dezelfde richting heeft als het aan het uiteinde A gegevene, werkt nu weer AY op BV.

e. Zij (Fig. 125) M het deel dat van een lichaam door een plat vlak V wordt afgesneden, en laat op dat deel een willekeurig stelsel van krachten werken. Brengt men deze alle naar een punt Q van V over, dan krijgt men een resulteerende kracht F en een in de figuur niet aangegeven koppel. Zal er evenwicht zijn, dan moeten de verschillende

krachten, die de stof links van V op M uitoefent, herleid kunnen worden tot een kracht in Q, gelijk en tegengesteld aan F, en een koppel dat met het bovengenoemde evenwicht maakt.

ƒ. Fig. 126 stelt een driehoekige verbinding van stangen

voor, die in verticalen stand met de punten A en C op twee even hooge en volkomen gladde horizontale vlakken rust en aan den top B met een last P is bezwaard. Wij zullen onderstellen dat het gewicht der stangen in vergelijking met dien last mag worden verwaarloosd. Verder zullen wij ons voorstellen dat de verbinding der stangen bij B een kleine draaiing

van de eene ten opzichte van de andere toelaat, zoodat, als AC er niet was, een daling van het punt B, verbonden met

Fig. 126.

Sluiten