Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

snijden op de verticale lijn die door Z gaat; tusschen de grootte der drie krachten moet verder het bekende verband bestaan.

Als tweede voorbeeld beschouwen wij een vloeistofmassa die in evenwicht is. Men kan zich voorstellen dat een deel daarvan, binnen een gesloten oppervlak gelegen, zonder van volume te veranderen, vast wordt; de op dat deel werkende krachten moeten dus voldoen aan de evenwichtsvoorwaarden die voor vaste lichamen gelden. Alleen zijn er bij de vloeistof nog andere evenwichtsvoorwaarden, want gemakkelijk kan men gevallen bedenken, waarin krachten die, op een vast lichaam werkende, evenwicht met elkaar zouden maken, dit niet meer doen, als een vloeistof eraan onderworpen is.

Bij de toepassing der bovenstaande stelling behoeft alleen op de krachten gelet te icorden, die het beschouxode deel van buiten ondervindt. Worden deze b. v. in verticale en horizontale componenten ontbonden, dan moeten de naar boven gerichte componenten te zamen evenveel bedragen als de naar beneden werkende. Van de inwendige krachten kan men hierbij geheel afzien; het is trouwens duidelijk, dat door de onderlinge werking zijner molekulen een lichaam of een deel van een lichaam zich nooit in zijn geheel naar boven of beneden verplaatsen zal. Dit is een gevolg hiervan, dat de inwendige krachten twee aan twee gelijk en tegengesteld zijn.

Ofschoon bij een buigzaam koord of een vloeibare massa de krachten die de molekulen van de aarde ondervinden, niet meer dezelfde uitwerking hebben als een enkele kracht in het zwaartepunt, blijft toch één eigenschap die dit punt bij vaste lichamen heeft bestaan.

Bij elk lichaam wordt nl. de arbeid der zwaartekracht bij een verplaatsing, en dus ook de verandering der potentieele energie, op dezelfde wijze uit de rijzing of daling van het zwaartepunt gevonden als bij een vast lichaam.

Fig. 128 onderscheidt zich van Fig. 115 doordat een horizontaal vlak V is aangebracht, waarop de loodlijnen AA2a2, A3 a3,.. . B 4, Cc, Z.' zijn neergelaten. Uit de evenredigheden van § 162 volgt

(lh + li) X B 4 = f| x A, «i -f ft x A2 «j,

Cfl + Pi + P3) X C c = (pi pi) X B i + p3 X A3 a3 =

= I'\ X Aj «| + X A2 a.2 + ƒ3 X A3 as.

Sluiten