Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vermeerdering van de kinetische energie der zichtbare bewegingen is gelijk aan den arbeid van alle krachten, de wrijving daaronder begrepen.

Blijkens de laatste stelling kan de evenwichtsvoorwaarde die wij in dit hoofdstuk leerden kennen, altijd worden toegepast, als men maar de wrijving als een afzonderlijke kracht in rekening brengt.

Wij zullen nu den invloed dier kracht nader beschouwen.

In Fig. 157 stellen A en B twee Fig. 157.

lichamen voor, die over elkaar kunnen glijden; het eene, B, wordt vastgehouden, terwijl het andere door een zekere kracht N loodrecht daartegen wordt gedrukt. Oefent men nu bovendien op A een tweede kracht F, evenwijdig aan het grensvlak uit, dan ontstaat, zoolang die kracht klein is, nog geen beweging; er wordt een

wrijving opgewekt, die de kracht opheft. Bij het toenemen van F groeit ook de wrijving aan, maar het blijkt dat deze niet boven een zeker bedrag kan stijgen, dat evenredig met den normalen druk N is, en dus door c N kan worden voorgesteld. Het getal c wordt de wrijvingscoëfficient genoemd; het is bij de wrijving van metaal op metaal wel nooit grooter dan 0,3 maar kan door het gebruik van smeermiddelen tot 0,01 dalen. De waarde is van den aard der oppervlakten, van dien van het smeermiddel en van de temperatuur afhankelijk. Zoodra de kracht F de waarde c N te boven gaat, kan zij niet meer door de wrijving worden opgeheven, en zal het lichaam zich in beweging stellen.

Men kan hieruit afleiden, wanneer een enkele kracht P het lichaam A over B zal kunnen voortschuiven. Wij onderstellen dat die kracht een scherpen hoek x maakt met de naar de zijde van B getrokken normaal; zij kan dan ontbonden worden in een component, P cos x volgens die lijn, en een tweede, P sin x langs het oppervlak. De wrijving kan nu geen grootere waarde krijgen dan c P cos x. Is dus P sin x < c P cos x,

Sluiten