Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevallen liggen dan steeds vele andere, waarin geen beweging ontstaat.

Tot verdere opheldering- kunnen de volgende voorbeelden dienen.

a. Een lichaam A B (Fig. 159) is ondersteund door een horizontaal vlak A C en een verticaal vlak B C (ladder tegen muur); P zij de verticaal onderstelde resultante der krachten die er

op werken. Trekt men in A en B de normalen AD en B D en maakt men de hoeken D A E en DBF gelijk aan de wrijvingshoeken, dan moeten de richtingen der in A en B door de.steunvlakken uitgeoefende krachten binnen die hoeken vallen. Aan de voorwaarde dat de lijnen langs welke deze krachten werken, elkaar op het verlengde van P G ontmoeten, kan alleen voldaan worden, wanneer deze lijn den vierhoek H E F D doorsnijdt. Valt P G links van E, dan glijdt het lichaam uit. Bij deze beschouwing is in aanmerking genomen, dat wegens de nei¬

ging tot uitglijden de reactie in A naar links en die in B naar boven gericht is.

Zoodra het boven bedoelde ontmoetingspunt M bekend is, kan men de drukkingen in A en B bepalen door P naar dat ontmoetingspunt over te brengen en volgens M A en M B te ontbinden. Daar nu echter M nog elk punt op het verlengde van P G kan zijn, dat binnen HEFD ligt, blijven die drukkingen tot op zekere hoogte onbepaald. Dit is een gevolg hiervan, dat, zoolang de wrijvingen in A en B niet de grootste waarden behoeven te hebben, die zij kunnen aannemen, het öf vooral de eerste öf vooral de tweede kan zijn, die het lichaam in evenwicht houdt. Dit hangt af van kleine bijzonderheden in de wijze waarop het lichaam tegen de vlakken geplaatst werd.

6. Een l'.chaam M (Fig. 160) is voorzien van een as a, die

Sluiten