Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terwijl de gezamenlijke energie van een stelsel lichamen onveranderd blijft, kan zij zeer goed minder toegankelijk voor ons worden.

De neiging der vrije energie om af te nemen vertoont zich bij vele verschijnselen waarover wij hier niet kunnen uitweiden, ook hierdoor b.v. dat, wanneer een lichaam een arbeid verricht, de vrije energie dikwijls meer afneemt dan aan dien arbeid beantwoordt. Wordt er noch door, noch op het stelsel een arbeid gedaan, dan is de regel dat bij niet omkeerbare veranderingen, b.v. bij die waardoor een evenwichtstoestand bereikt wordt (| 235), als zij bij standvastige temperatuur verloopen, de vrije energie afneemt. In den evenwichtstoestand zelf is zij een minimum, een stelling die bij beschouwingen over physische en chemische evenwichten veelvuldig wordt toegepast.

Een enkel woord ten slotte over de definitie die wij van de vrije energie gegeven hebben. Daarin was bepaaldelijk sprake van den arbeid dien het stelsel kan verrichten als het langs omkeerbaren weg uit den werkelijk bestaanden toestand in den nultoestand overgaat. De in het woord „omkeerbaar" gelegen beperking was noodig omdat, als de overgang op andere wijze plaats heeft, volstrekt niet dezelfde arbeid verricht wordt. Men kon het gas zich tot het volume V laten uitzetten door het zich over een oorspronkelijk ledige ruimte te laten verspreiden; dan zou het in het geheel geen arbeid verrichten.

!)(■ omstandigheid dat ook van isothermische veranderingen gesproken werd, heeft ten gevolge dat wij op grond der gegeven definitie alleen voor toestanden in welke het lichaam dezelfde temperatuur heeft, de waarde der vrije energie kunnen vergelijken (zie intusschen § 253, A).

§ 248. Kringloopen van Carnot. Wij keeren nu terug tot kringloopen waarbij het werkende lichaam twee verschillende temperaturen aanneemt. Niet alleen bij een gas, maar ook bij andere lichamen kan zidk een kringloop uit twee isothermische en twee adiabatische veranderingen worden samengesteld; als dat het geval is, spreekt men van een kringloop van Carnot, daar deze natuurkundige het eerst (1824) uit de beschouwing van zulk

Sluiten