Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oppervlak a b uitstrekt. Dit laatste, de zoogenaamde meniscus, gaat

geleidelijk in het vrije oppervlak van het laagje over; het is nl. gebogen met de holle zijde naar boven en staat aan den rand verticaal. Bij zeer enge buizen heeft het de gedaante van een halven bol.

De vloeistof zal nu zoover in de buis reiken, dat de totale vrije energie een minimum is, en daarbij verdient het opmerking dat, als reeds vooraf de geheele binnenwand is bevochtigd, aan het aanrakingaoppervlak van het water

en den buiswand niets te veranderen valt, en evenmin dus aan de daaraan beantwoordende vrije energie. Anders is het met het vrije oppervlak der vloeistof gesteld. Dit bestaat nl. uit den meniscus en het oppervlak van het daarboven liggende waterlaagje, daar nu het laatste bij het omhoog gaan van den meniscus verkleind wordt, zullen de. moleculaire krachten der vloeistof haar voortdurend verder trachten te doen stijgen. De zwaartekracht is oorzaak dat een bepaalde hoogte niet overschreden wordt.

Verbeelden wij ons dat voor een oogenblik het middelste punt van den meniscus even hoog ligt als de uitwendige vloeistofspiegel en duiden wij in dat geval de totale vrije energie aan door A. Is dan de vloeistof tot een hoogte h opgestegen, dan is het oppervlak der vloeistof afgenomen met 2 tt r h, als wij nl. door r den inwendigen straal der buis voorstellen, en den uitwendigen vloeistofspiegel zoo uitgestrekt onderstellen dat de hoogte daarvan niet merkbaar verandert. Afgezien van de zwaartekracht is dus de vrije energie der vloeistof verminderd met 2 tv r h H. Aan den anderen kant is de potentieele energie tegenover de zwaartekracht toegenomen met een bedrag, waarvoor men zal vinden 1 tt r' h2 s (verg. § 206), als men door s het soortelijk gewicht der vloeistof voorstelt en, wat bij nauwe buizen geen noemenswaardige fout medebrengt, het gewicht der kolom in de buis en de ligging van het zwaartepunt berekent

Fi?. 230.

Sluiten