Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder r het soortelijk gewicht van het ijs, eindelijk onder A„, Ai en A, de verticale hoogten van de middelpunten der zeer kleine vlakken A, B en O boven het laagste punt der buis. Is nu nog p de druk in de oplossing bij B, P de osmotische druk, dan is — als er evenwicht bestaat — de druk aan de bovenzijde van A:

p -j- (hb — ha) s',

die aan de benedenzijde van A

J) -|- {Jlb — ha) 3 P*

en die in het punt C

p (Jia — hc) S 4" (hb — ha) s' F.

De druk in C overtreft dien in B dus met het bedrag

(An — hc) s (Aê — ha) s en wij moeten onderzoeken, wanneer dit drukverschil evenwicht zal maken

met het gewicht van het ijs. .... n ,„„j

Het eenvoudigst is het, te bedenken dat het stuk ijs in eiken stand in evenwicht zou zijn, als het tusschenschot A er niet was en de geheele ruimte beneden het ijs gevuld was met een vloeistof, even zwaar als dl laatste, dus van hel soortelijk gewicht ff. Dan zou het drukverschil tusschen

C en B zijn:

J (Ai — hc) ff.

De evenwichtsvoorwaarde is derhalve:

(h„ — hc)« + (A* — ha) s' — P = (Ai hc) ff. ... . (16)

Den tweeden term kan men zeer klein maken door A dicht bij B te plaatsen. Dan kan men in dien term s door s vervangen, zoodat

(h — hc) (i — ff) = 0?)

wordt. Daar nu i — ff positief is, is werkelijk een evenwicht mogelijk, waarbij het punt B, zooals in de figuur is voorgesteld, hooger ligt dan C.

Onderstellen wij nu dat de in B bestaande druk p juist die is, welke bij de gekozen temperatuur T, noodig is voor het molekulair evenwicht tusschen de oplossing en het ijs. Zal dan de druk in C, die de waarde

p -\- (hb — Ar) ff

heeft, ook voldoende zijn om hier bij diezelfde temperatuur evenwicht te verzekeren? Of, m. a. w„ zal de temperatuur T juist het vriespunt van water

onder den druk (18) zijn? ,

Was T hooger dan dit vriespunt, dan zou in C eemg ijs smelten; daar dit met een volumevermindering gepaard gaat, zou de druk kleiner worden en deze drukvermindering zou zich overal in het deel CAB der buis doen gevoelen. Dan zou dus in B het smeltpunt hooger worden dan de werkelijk bestaande temperatuur; daar zou dus eenig water bevriezen. Maar ook t evenwicht van het stuk ijs zou verbroken worden. Immers, het punt ü zou hooger komen, het punt B lager, en het verschil Ai — hc zou afnemen. Dientengevolge zou

b (ii — hc)(s — ff) <P

Sluiten