Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Omstreeks 1575 vestigde hij zich weder te Tiel als procureur, „postulerende bij de Gerichtsbanke aldaar" en bij de Gerichtsbank van Zoelen, welke betrekkingen hij tot zijn overlijden bleef vervullen; als gemachtigde van anderen komt hij onophoudelijk daardoor in de Tielsche-, Zandwijksche- en Zoelensche signaten voor.

Na den dood van zijn ouderen broeder Lieven W ijnants was hij van 1575—1583 voogd over diens eenigen zoon Johan Wijnants van Resant. (Zie blz. 146).

Toen in October 1585 zijn oom Willem Wijnants (zie blz. 122) overleed, maakte hij in diens plaats aanspraak op de collatie en presentatie der vicariën van St. Bregitta en St. Anna in de St. Maartenskerk te Tiel. In die functie van collator en patrones begiftigde hij bij presentatie-brief van 16 October 1585 resp. met die vicariën zijn zoons Lieven en Jan. Hierover ontstond in November d.a.v. een proces met zijn neven Johan (blz. 139) en W i llem Wijnants (blz. 143), die hun respectieve zoons Corn e I i s en G e r r i t in hun possessie-rechten op de twee vicariën aangetast zagen.

De zaak, waarop alles neerkwam, was dat in den transpo. tbrief, waarin aan hun grootvader W ij n a n t J a n sz. de vicariën opgedragen waren, o. a. voorkwam, dat de collatie (d. i. het recht van begeven) der beide vicariën zou komen aan den „oltsten manspersoon opter straete" van Wijnant's afstammelingen. Toen W ij n a n t in 1564 stierf, was Willem de oudste nog in leven zijnde zoon der 7 zonen van W ij n a n t J a n s z.; Willem zelf was naar rangorde de 6e zoon, doch waren al zijn oudere broeders reeds overleden en hoewel de meeste dezer 6 oudere zonen afstammelingen hadden, trad Willem in opvolging van bovenaangehaalde zinsnede uit den transportbrief, van 1564—1585 op als collator der vicariën. Toen

Willem in 1585 overleed, was zijn neef Hendrik de „oltste manspersoon opter straete" van de familie en maakte als zoodanig dan ook aanspraak op de collatie terwijl Johan en Willem opkwamen als wettige erfgenamen huns vaders ; zij beweerden als zoodanig, dat

Hendrik W ij n a n t en G ij s b e r t Claerbolte op 14 October 1568 namens den Hertog van Alva ingedaagd worden met 13 andere Tielenaars, als hebbende gediend onder den heer v a n t e e r o d e tegen den Koning van Spanje, zoodat uitgemaakt is, in verband met bovenbedoelde schepenacte, dat met dezen Hendrik Wpant een Wijnants van Resant is bedoeld.

Sluiten