is toegevoegd aan uw favorieten.

Delphi

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gehoogd geworden, is men genoodzaakt geweest den weg langs den tempel bijna 10 M. smaller te maken en er een muur (zie kaartje, n°. 32) langs te bouwen , die de gevallen steenen voor 't oog verborg en tevens tot stutmuur diende voor bet terras, dat men nu hoogerop aanlegde, door de tusschenruimten tusschen de gevallen rotsblokken met puin en aarde aan te vullen. Zoo kwam dus de ruimte, die men van den tempelweg afnemen moest, het terras ten goede, hetwelk zich ten noorden ervan verhief. De nieuwe terrasmuur liep naar het oosten door, tot waar de heilige weg, van het zuiden komend, zich naar het westen ombuigt en zoo het pleintje vormt, waarop het groote altaar, waarvan reeds vroeger sprake was, gelegen is. Daar houdt hij plotseling op, juist op de plek, waar eenige drievoetbasissen (zie kaartje, n°. 38) gevonden worden, die blijkens eene inscriptie een wijgeschenk van den Siciliaanschen vorst Gelo gedragen hebben. Ten oosten van deze heeft waarschijnlijk eene straat geloopen, in sterke helling naar het noorden opstijgend; immers, de verschillende basissen, die zich aan' de kanten bevinden, toonen een sterk stijgend niveau. Blijkens allerlei vondsten op deze plaats is deze helling ook eerst in de 4de eeuw v. Chr. aangelegd met gebruik van puin en bouwresten van vroegere gebouwen en monumenten. Deze helling opstijgend, heeft men aan zijne rechterhand eene vierkante, door een muur omsloten ruimte (zie kaartje, n". 39), binnen welke eene basis staat; hierin doet P. ons het graf van Neoptolemos herkennen, en volkomen daarmee in overeenstemming is het, dat de Thessalische vorstenfamilie de standbeelden harer leden opstelde naast het heiligdom van den stamheld van haar geslacht, van Neoptolemos, den zoon van Achilles, heerscher over het Thessalische Phthia. Deze beelden stonden op de enorme basis, welke nog westelijk van den bouw wordt gevonden en wier inscripties ons nog de namen der Thessalische vorsten vermelden (z. k., n". 41). Meer over deze plaats te zeggen, is voorloopig niet mogelijk; ook hier verkeeren we nog in afwachting, of soms de opgravingen nog meer hebben geleerd, dan tot nu toe bekend is gemaakt. P., die zich vanhier naar het zuiden wendt, komt dan aan het beekje de Cassotis (P., X. XXIV. 5), welks water wij straks onder de tempelgrondslagen zagen doorvloeien en waarvan de bron midden op het hooger gelegen terras uit den grond te voorschijn kwam (zie kaartje, n°. 42). De verschillende gebouwen, die mogelijk vroeger op dit terras hebben gestaan, zijn zoo volkomen verwoest, dat we wanhopen moeten hier ooit meer eenige aanwijzing te zullen krijgen; dalen we dus weer langs denzelfden weg, als we gekomen zijn, naar beneden, naar het altaarpleintje, om nu, tusschen tempel en noordelijken terrasmuur, naar het westen te gaan. Deze muur houdt dati.r plotseling op, om toegang te geven tot eene groote kamer (zie kaartje, n'. 43), waarvan de vloer gelijkligt met het niveau der straat en welke dus als 't ware in het hooger gelegen terras is ingebouwd. Op een der blokken van den muur dezer kamer leest men eene groote metrische