is toegevoegd aan uw favorieten.

Over oploswarmten in het algemeen, die van Cd S O4 8/3 H 2 O in het bijzonder

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oploswarmte 1 mol. KC1. in 200 mol. H,0 — 4,44 Cal.

8 „ „ „ 200 „ „ - 32,56 „ » n ij n ^00 „ „ 57,6 „

waarbij de laatst verkregen oplossing als ongeveer verzadigd te beschouwen is, dan blijkt het, dat het interval tusschen de beide laatste waarnemingen zeer groot is. Wanneer zij nu uit de warmte ontwikkeld bij de oplossing der 7 laatste moleculen KC1 (—25 Cal.) de theor. oploswarmte berekenen door deeling door 7, dan kan men de aldus verkregen waarde allerminst als nauwkeurig beschouwen.

Hiermede is natuurlijk de methode zelve niet veroordeeld. Als een groot aantal waarnemingen in de buurt van 't verzadigingspunt ter beschikking staan, kan de methode van v. Deventer tot zeer nauwkeurige resultaten leiden, vooral wanneer men uit de figuur twee waarden van oploswarmten interpoleert, die betrekking hebben op twee concentraties, één grooter en één kleiner dan de verzadigingsconcentratie en met een klein interval.

Stackelberg ') gaat op eenigszins andere wijze te werk. Hij bepaalt ym d.i. de warmte, optredende, als zout wordt opgelost in een zeer groote hoeveelheid oplossing van m%. Hij vindt ze door de oploswarmte van m—Am en m + Am zout in 100 H„O te bepalen en 't verschil te deelen door 2 Am. Door extrapolatie van de lijn Am als functie van m voor m = s (waarbij s voorstelt het gehalte der verzadigde oplossing) vindt hij de theoretische oploswarmte.

Deze extrapolatie is natuurlijk steeds een stap in het duister en derhalve in enkele gevallen niet zonder bedenking, vooral wanneer de waarnemingen betrekkelijk ver van de verzadiging eindigen. Zoo bepaalt hij bij KC1 03 A,„ voor 0,1; 0,3; 0,5; 0,7 mol. KC103 op 100 mol. H20, terwijl de verzadigde oplossing 0,91 mol. bevat. Bij KC1 bepaalt hij >.m voor 0,5 ; 3,5; 6,25; 6,75; 7,25 mol. KC1 op 100 mol. H20, terwijl s = 8,25. Ook valt nog te wijzen op de grootere fouten, die bij grootere concentraties zullen voorkomen, ten gevolge van langeren duur der proef. Op grond hiervan moet de methode van Stackelberg achter gesteld worden bij die van v. Deventer.

V> Zschr. phys. Ch. 20, 159 en 26, 533.