is toegevoegd aan uw favorieten.

Het gouden feest van het Nederlandsch tijdschrift voor geneeskunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verhouding niets te maken. De feitelijke verhouding is deze: De Maatschappij kan in het Tijdschrift plaatsen wat zij wil; daarvoor is zij alleen verantwoordelijk ; het Tijdschrift plaatst de stukken der Maatschappij tegen den kostenden prijs. Dit zou nu een ander tijdschrift ook wel willen doen. Ons tijdschrift echter stelt er prijs op te blijven heeten wat het altijd geheeten heeft: het orgaan der Xederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst. Voor wat, hoort wat. Welnu, voor dien titel, dien zij als eeretitel beschouwt, geeft de vereeniging aan de leden der Maatschappij het Tijdschrift tegen een met 20 pCt. gereduceerden prijs

Thans is dus de geheele band tusschen Maatschappij en Tijdschrift een iinantieele en verder niet. Met de redactie van het blad heeft de Maatschappij nooit iets te maken gehad en, ik durf er gerust aan toevoegen, zal zij ook nooit iets te maken krijgen.

Met die laatste uiting is slechts in schijnbare tegenspraak het feit dat, na gemeenschappelijk overleg, in den Raad van Redacteuren zijn opgenomen de leden der Centrale Commissie voor de Beroepsbelangen. Een destijds onredelijk verlangen, door de Maatschappij uitgesproken, is door de vereeniging zoo geamendeerd, dat daardoor én de volkomen zelfstandigheid van het tijdschrift erkend en onaangetast bleef, én het Tijdschrift de zeer gewaardeerde hulp van een zaakkundige commissie uit de Maatschappij kreeg, Het peil van het Tijdschrift kan daardoor slechts rijzen en daarmede is zoowel de Maatschappij als het Tijdschrift zelf gebaat.

De tegenwoordig geldende linancieele regeling dateert van den allerlaatsten tijd. Bij de vroegere regeling is het inderdaad wel voorgekomen dat, als er veel Maatschappij-werk te drukken viel, het Tijdschrift er wat aan verdiende.

Juister is: er wat aan scheen te verdienen. Immers, toen was de reductie die de Vereeniging aan de leden der Maatschappij toestond geen 20, doch 30 pCt. en tegenover een enkel vet jaar voor het Tijdschrift stonden dan ook talrijke magere. Dat evenwel bij de vereeniging nooit de bedoeling bestaan heeft, van de Maatschappij te halen wat er te halen viel, kan ik u met een enkel voorbeeld duidelijk bewijzen.

In 1885 is als Maatschappij-stuk gepubliceerd een uitvoerig rapport van prof. plug ge met veel tabellarisch, d i. duur werk. De Vereeniging heeft toen, uit onbaatzuchtige en op billijkheid gegronde overwegingen, de som, waarop zij van de Maatschappij richt had, met ƒ500.— verminderd.

Misschien vindt gij zelfs dit bewijs overbodig. Op een herinneringsdag als heden schijnt mij dit echter niet het geval. (Jok al mag dan, wat dit punt aangaat, tui slotte dankbaar worden ontkend, dat de veihouding tusschen Vereeniging en Maatschappij nu volmaakt zuiver geworden is. Dat is gelukkig. Onze vereeniging en de. Maa scha) pij zijn in de Xederlandsche geneeskundige wereld twee op zich zelf en naast elkaar staande machten. Laat men nu niet gaan vechten om de vraag, welke macht het grootste is en niet gaan beproeven de een aan de andere ondergeschikt te maken. Laat ons liever doen, wat wij tot nog toe, niettegenstaande het straks bedoelde geharrewar, altijd gedaan hebben; eendrachtig samenwerken tot verhooging van het wetenschappelijke en maatschappelijke peil der Xederlandsche geneeskundigen.

Het laatste punt, dat in de verslagen der algemeene vergadering treft, is