is toegevoegd aan uw favorieten.

Het eiland Seran en zijne bewoners

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Malowan (achter Soekaradja) heeft men geen bezwaar vreemdelingen in de baileo toe te laten en zijn deze huizen voor de troep het aangewezen logies. Bij de WestSeranners echter laat men ons slechts noode, dikwijls in het geheel niet daarin toe. Huisraad treft men in de baileo niet aan; een dego2 (rustbank) is rond de muren aangebracht om tot zitplaats te dienen. In de baileo van Moesihoé (Malowanstam) vindt men voor de hoofden een verhoogde dego terwijl de zitplaats der kapitans bestaat uit een balk van zacht hout, waarin ovale zitplaatsen en relief zijn uitgesneden.

Versieringen treft men zeer weinig aan en waar zij aangebracht zijn, bestaan zij uit eenig snijwerk in den vorm van krullen, aangebracht in stijlen of aan de gevelplaat. Aan de stijlen bij den ingang van de baileo te Séa (Malowan) ziet men het mannelijk geslachtsdeel en vrouwenborsten uitgebeiteld, in die van de baileo van Horali Kolalinje zijn vrij sierlijk krokodillen en schilden uitgesneden. Behalve de vuurplaat vindt men ook nog wel een vorkvormigen tak midden in den vloer vastgemaakt. waarop de bamboekoker, waarin de sagcroe zich bevindt, komt te rusten, terwijl aan de dakrichels ook wel de mamakoer hangt. Dit is een glazen ring, waarvan men de herkomst niet meer weet en die een zeer waardevol sieraad van den Altoer uitmaakt. Zij bestonden reeds voor de komst der Portugeezen in de Molukken en zullen waarschijnlijk wel door vreemdelingen zijn ingevoerd.

Ofschoon wij niet in staat zijn den echten van den modernen mamakoer te onderscheiden, ziet de Alfoer dadelijk het verschil. Sommige van die ringen worden van tijd tot tijd in bloed gelegd om eene heldere kleur te behouden en bijna alle worden omwikkeld met gevioetoetouw ter beveiliging tegen beschadiging. Aan den arm wordt de mamakoer nooit gedragen.