is toegevoegd aan uw favorieten.

Over de verandering der refractie gedurende den loop van het leven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reeds in 1870 onderzocht Cohn 11) de leerlingen van het gymnasium te Breslau; 1^ jaar later kon hij bij 138 der toenmaals onderzochten de refractie opnieuw bepalen. Hij lette echter alleen op het ontstaan der myopie en heeft op de andere brekingstoestanden geen acht geslagen.

Von Reuss26) bepaalde de refractie van de oogen deileerlingen van het gymnasium te Weenen achtereenvolgens in de jaren 1872, 1873 en 1875 en ging na in hoeveel percent der gevallen de refractie stationnair, progressief of regressief was tijdens de intervallen 1872 tot 1873, 1873 tot 1875 en 1872 tot 1875. Hij vorschte dit na voor de emmetropen, voor de hypermetropen en voor de myopen afzonderlijk. Van progressie der refractie moet daarbij worden gesproken, wanneer het brekend vermogen toeneemt, dus een emmetropisch oog myoop wordt, een hypermetropisch oog eenen geringeren graad van hypermetropie, emmetropie of myopie gaat vertoonen, een myopisch oog eene sterkere mate van bijziendheid verkrijgt. Wat onder regressieve refractieverandering verstaan wordt is dan zonder meer hieruit duidelijk,

Voor het interval 1872 tot 1875, waar 208 oogen aan het begin en het einde van het tijdvak waren onderzocht, vond hij de volgende resultaten:

Stationnair. Progressief. Regressief.

Van de emmetropen 56,3 «/„ 33,8 % 9,9 %

Van de hypermetropen 12,3 °/0 77,5 °/0 14,2 °/0

Van de myopen 12,3 °/0 71,9 % 15,8 »/0

Wij zien dus, hoe bij de emmetropen de refractie meest stationnair gebleven is in die drie jaren, hoe echter bij de hypermetropen en bij de myopen in ongeveer drie vierde gedeelte der gevallen de refractie eene verandering in progressieven zin ondergaan heeft.

Ott41) kon van 132 oogen van leerlingen aan het gym-