Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ergernis en het verdriet, den uiterst kwetsbare berokkend door Van Vloten's tegenschrift Onkruid onder de tarwe (1875). Hij beweerde nog steeds te volharden bij zijn bekende uitspraak: „Publiek, ik veracht u!"; maar hoe dankbaar was hij in werkelijkheid voor een beetje instemming (Idee 926, 930). Overigens is het licht te begrijpen, dat hij teleurgesteld moest blijven: hij, die zijn persoonlijke omstandigheden, gelijk vroeger met den toestand van Indië, zoo nu vereenzelvigde met dien van het Nederlandsche volk en onvoldaan bleef, zoolang die toestand niet veranderd was; wien het huldeblijk van /20,000, van dat standpunt gezien, „ook in eenvoudig burgerlijken zin armzalig" scheen; die aan vervolgingswaan ging lijden en sprak van „het wachtwoord" dat tegen hem uitgegeven werd.

Zoo hooren wij hem, zoowel in zijn geschriften als in zijn brieven klagen, dat hij belasterd en daardoor zijn invloed tegengewerkt wordt; dat men hem niet naar zijn waarde als auteur betaalt; dat Nederlandsche kunstenaars in gebreke blijven zijn werken te illustreeren; dat buitenlandsche kunstenaars, o. a. een „faiseur" als Victor Hugo hooger worden gesteld dan hij. Volbloed-romanticus ook nu, drapeert hij zich in zijn leed als in een almaviva, dat typisch kleedingstuk der romantiek: „de knieën knikken hem - hy leed zooveel, den laatsten tyd! de keel weigert hem haar dienst, rauw als zy is van spreekbeurten en difteritische angina" (Idee 606); hij is de zwaargewonde soldaat, die onder den bos stroo waarop hij ligt, de vlag verborgen houdt (R. v. Eys. p. 4). Echter, dat leed, romantisch gedrapeerd of niet, was er, kwelde en tergde hem, belette hem vaak te werken. Diep treurig is het uit zijn brieven aan Roorda van Eysinüa en Huisman (Sentot) het beeld optevangen van dezen gemalen zelfkweller: hoe hij, overgevoelige en prikkelbare, daar zit voor zijn schrijftafeltje en zijn gedachten dwingt bij het werk te blijven; als dat niet

Sluiten