Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slotte waardoor de Nederlanders voor het eerst in staat werden gesteld de veredelende schoonheid van Homerus in ruime mate te genieten. Niet aan ondankbaren was dat werk besteed; in 1902 immers zag — zeldzame eer aan een vertaald klassiek werk bewezen — een zesde druk het licht.

Nu was de Odyssee aan de beurt; terwijl die vertaling voorbereid werd, ontstond uit de hernieuwde aanraking met de Homerische poëzie en herinneringen aan Italië de idylle Nanno (1882). De gansche opzet dezer Grieksche liefdesgeschiedenis was ontleend aan de Odyssee, al zweefde ook een werk van een anderen navolger der Grieken, André Chénier's Le Mendiant, Vosmaer voor den geest. Aan kennis van het huiselijk en maatschappelijk leven der oude Grieken ontbreekt het hier allerminst; van hun geestes- en gemoedsleven moet de auteur goed op de hoogte zijn geweest. Men moet achting hebben voor zijn kennis der Homerische poëzie en der antieke versmaten, die hier ook gevoeld zijn, zooals blijkt b.v. uit de ouverture Ochtendgloren-, voor de kunst waarmede die maten zijn aangewend in de lyrische gedeelten en den Theocritaanschen dialoog tusschen Nanno en de Voedster. Het gedicht is doorgaans edel van toon, hier en daar liefelijk; doch men mist er het spontane en vooral het naïeve der Homerische poëzie, dat nu eenmaal niet of uiterst moeilijk te vereenigen is met hoog ontwikkelde beschaving. Talentvolle namaak en knap gedaan, heeft het geheel iets kouds ondanks het modern sentiment in de liefde tusschen Nikias en Nanno.

„Zulk een gekunstelde namaak zou geen oogenblik in de letteren geduld worden. Stel u eens eene moderne navolging van Coornherts geschriften voor" — schreef Vosmaer twee jaar later in een bewerking van een Engelsch boekje De kunst in het dagelijksch leven. Afgezien van de vraag of Nanno al dan niet tot die „gekunstelde namaak" behoort, schijnt deze

Sluiten