Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijn broer de minister (1876), De Veer's Hoe oom op zijn neus keek (1878), Grams De groote Schootmans (1879), dan vindt men bij Meys en Gram hier en daar een aardigen dialoog, doch overigens niets dan middelmatigheid, bewijzen van dramatisch onvermogen, zelden of nooit iets dat pakt, dat eenigen geest of ook maar luim toont; en hoe ijzingwekkendgrappig of zouteloos en onbenullig zijn stukken als Oenezen (1875), Als de Oppositie regeert (1865), Den Kikkert en den Dikkert (1869), Een Avontuurtje van Mijnheer Kikkerbil (1877) en dozijnen andere, die ik hier niet behoef te noemen.

Slechts zeer weinig ernstige of komische stukken verheffen zich boven het lage peil waarop de groote meerderheid staat. Met het oog op het «doen herleven van den lust voor het hooge Treurspel" en de vertooningen der Rederijkers, schreef Mr. J. P. Amersfoordt zijn tooneelspel in vijf bedrijven Willem Bardes (1858). Wij vinden hier eer allerlei samenhangende tafereelen dan een stuk; doch er is ten minste een streven naar het goede zichtbaar en de waardigheid van het historisch drama is toch eenigermate gevoeld en uitgedrukt. De klassieke literator J. Bosscha , die zich tot dusver slechts als auteur van historisch proza had doen kennen, kwam op zijn ouden dag, zij het ook zonder zijn naam, te voorschijn met het treurspel Wolferd van Borssele (1S65). De greep, dien Bosscha hier deed in het middeleeuwsch leven, is verdienstelijk: de Van Borsselen, wiens geschiedenis Melis Stoke ons verhaalt, is een belangwekkende figuur. Het ontbrak den auteur noch aan kennis van noch aan gevoel voor de toenmalige toestanden, noch aan waardigheid van toon. Zijn plastisch vermogen echter

BOSSCHA EN MULDER.

Sluiten