Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Te hebben ingezien dat daarvoor meer noodig was, zal een der vele verdiensten van Jacob van Lennep blijven. Hij wist koning Willem III belangstelling voor de hervorming van het tooneel inteboezemen; een teeken dier belangstelling was de benoeming eener Commissie, waarin naast Van Lennep ook Schimmel en De Bull zitting hadden. De Commissie stelde den Koning o. a. voor: een inrichting tot stand te brengen, met Z. M. als Beschermheer om het nationaal tooneel in Noord- en Zuid-Nederland waardiglijk te vestigen; er zou een Hoofdbestuur zijn van onbezoldigde Commissarissen; onder hen een bezoldigd Directeur; de Directeur zou geschikte sujetten opsporen, engagementen sluiten en het repertoire regelen — in overleg met of onder goedkeuring van Commissarissen; er zou een fonds van ƒ 100.000 worden bijeengebracht; een fonds gevormd „tot aankweeking van Tooneelisten" en een kas „tot ondersteuning van oude en hulpbehoevende leden van het personeel." Van dat plan kwam niets; doch de gedachte bleef leven en invloed oefenen. In 1869 werd door Mr. J. N. van Hall op het Taal- en Letterkundig Congres te Leuven een voorstel in den geest der Commissie van 1851 ter tafel gebracht; in het volgend jaar kwamen Schimmel, Van Hall, Cremer en Jan van Beers te Rotterdam samen om te beraadslagen over de stichting eener nieuwe vereeniging, die zich de belangen van het nationaal tooneel zou aantrekken. Zoo ontstond „Het Tooneel verbond" en daarnaast de vereeniging „Het Nederlandsch Tooneel", aan welke in 1876 door den Amsterdamschen Gemeenteraad de exploitatie van den Stadsschouwburg werd toegewezen.

Ook het Tooneelverbond streefde naar verbetering van het tooneel in Noord- en Zuid-Nederland en trachtte dat doel te bereiken o. a. door de oprichting eener Tooneelschool, aanmoediging van verdienstelijke tooneelspelers en speelsters, het

Sluiten