Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meisje belaagd door een „wulpschaard", een nachtbraker bij het lijk eener door hem verleide maagd en andere romantische somberheid. Veel in deze poëzie is onnatuurlijk en opgeschroefd: men denke zich Maerlant peinzend op een zeeduin gezeten en met eerbiedige bewondering aangestaard door het visschersvolk. Daartegenover moet erkend, dat Van Beers veel beter werk levert, waar hij het dagelijksch leven of Vlaamsche natuur en landleven in eenvoudig-zuivere verzen weergeeft: het uitgaan van een kerk (Bij 't Kerkportaal), een dorpje aan den voet van een heuvel (Op de kermis), het vesperklokje luidend over de velden, een oog^tafereeltje (De Bestedeling). Zijn dichterlijk verhaal Begga en De Idylle van Vriend Mathijs bevatten goede staaltjes van genre-schildering; geen hooge vlucht, maar stille eenvoudige kunst.

In Noord-Nederland waar hij nog al eens optrad met zijn verzen, was Van Beers populair; in 1854 roerde hij de bezoekers, vooral de bezoeksters, van het Taal-en Letterkundig Congres te Utrecht tot tranen door de voordracht van zijn Blinde. In Zuid-Nederland was zijn populariteit nog veel grooter; na den dood van Ledeganck en Prudens van Duyse werd hij meer en meer de dichter, die de behoefte der meer ontwikkelde Vlamingen aan poëzie en idealisme bevredigde. Geen ander Vlaamsch dichter evenaarde hem in dit opzicht. Frans de Cort en Julius de Geyter waren oprechte Vlamingen; gedichten als De Cort's Strijdzang der Eburonen en Flaminganten-begrafenis, De Geyter's Ode aan Vlaenderen en Belgies Wedervaren zullen den voortgang der Vlaamsche Beweging wel hebben bevorderd; doch de aesthetische waarde dezer stukken is gering. Hetzelfde oordeel moeten wij vellen over De Cort's minnepoëzie en huiselijke poëzie, geschreven in tamelijk conventioneele taal en met weinig gloed en kracht, al vindt men er wel eens een aardig stukje als Moeder en Kind.

Sluiten