Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heerscht zekere weemoed, niet zelden zachtgetint door sentimentaliteit; doch Rosalie gaat in dien weemoed op: bij haar niets dan droefheid, teleurgestelde verwachtingen, ziekte en dood; Virginie heeft oog ook voor den zonnekant des levens, hier en daar voor luim en humor.

Al spoedig waren de zusters begonnen hare krachten ook aan het proza te beproeven; een van Rosalie's beste novellen Meester Huyghe is tevens een van hare vroegste. Langzamerhand gaan de zusters inzien, dat haar eigenlijke kracht in het proza lag en de eene novelle gaat nu op de andere volgen. Na een eersten bundel gaven zij in 1876 Nieuwe Novellen, waarvan de meeste door de oudste zuster zijn geschreven. Wat ons in deze novellen treft, is de liefdevolle belangstelling in het leven, de onbevangenheid waarmede de schrijfsters dat leven waarnemen, zoowel de oppervlakte als hetgeen daaronder ligt, het zuivere warme gevoel waarvan hare aandoeningen blijk geven, haar scherpte van blik. Bovenal treft ons de verhaalkunst: vlug loopen deze vertellingen voort in een taal die niet vrij is van gallicismen doch die overigens de verdiensten van zuiverheid en eenvoud heeft; zij boeien ons, hetzij zij onder den deftigen middenstand of onder de mindergegoeden spelen; het is naïeve kunst, verwant met de volkspoëzie, doch die hier en daar in haar sobere kracht van voorstelling een bewust streven naar schoonheid toont. Doorgaans houden de vertelsters haar eigen persoon op den achtergrond; van tijd tot tijd echter richten zij zich tot hun publiek; niet rechtstreeks, maar - zooals het ook wel in de poppenkast of den poesjenellen-kelder gebeurt - over een der personages heen; zoo b.v.: «Juffrouw Schönhausen, gij moet u niet ontschuldigen: uw neef is uwe afwezigheid niet gewaar geworden"; of: „Ach! Juffrouw Schönhausen, gij zijt weer zoo ver ten achteren en

uwe vermaningen komen wel laat."

kalff, Letterkunde, VII. 47

Sluiten