Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drama's staan de tooneelspelen uit dit tijdvak. Het zijn ten deele echte melodrama's, zooals Laster en Onschuld (1850) door Rosseels en Dupont, Ondereet's De Familie Dykmans (1850) en het „volkstafereel" De Engel des Huisgczins (1853) door Michaëls en Kats, in opgeschroefde, boek-achtige taal; streven de auteurs naar eenvoud en natuurlijkheid dan vervallen zij in het geesteloos-alledaagsche of het zoetelijke zooals wij dat zien in Sleeckx' Berthilda (1854), Rosseels' Twee Broeders (1857), Van Laethem's De Kwijtbrief van Dries (1864), Geiregat's Moeder Rosa (1879).

Van Goethem's Vriend Kobus (1874) wordt geroemd als een van des auteurs „fijnste, geestigste stukken". Het gegeven van dit tooneelspel in proza is allerminst nieuw of oorspronkelijk: een arm meisje, dochter van Vriend Kobus, verleid door den zoon van een „nijveraar", later weer tot eere gebracht door een huwelijk met haar verleider; het ernstige is hier rijkelijk melodramatisch ; doch er zijn ook aardige tooneelen in, vooral die waarin Belleken, het kind van het jonge echtpaar, voorkomt.

Wie in het komisch drama zoekt naar karakteristiek, luim, geest, goede satire, zal hier even weinig bevredigd worden als bij een overzicht van het ernstig drama. Dat het blijspel met zang het meest geliefde genre is, zegt reeds vrij wat; maar ook in dat genre is slechts weinig goeds voortgebracht. Volslagen onbeteekenend zijn stukjes als Geld of Naetn (1858) door Sleeckx, Het Witte Bal (1S60) door Rosseels, Wummels' Een Pasteibakker die meester is (1866). Van Peene's vlotgeschreven Twee Echtscheidingen (1875). Van Goethem's Tony en Belleken (1879) en Een Wolkje voor de bruiloft (1880), zijn mislukte pogingen tot het schrijven van een „lever de rideau". Iets beter is Sleeckx' „liedekensspel" Jan Steen uif vryen (1852), een niet onaardig volksstukje; in Rosseels'

Sluiten