Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oefeningen. De leerling ontbinde thans den vorm 6.^-f.c*—15 in reëele tweedemaehtsfactoren. (Schrijf voor dien vorm (2** — 3) (3^ + 5); enz.).

Ook ontbinde hij op de zelfde wijze den vorm 2^4-4 [Men schrijve hiervoor 4(14«s-f +l) = 4(y8-f j);

wanneer x = y 4 = y y 2 wordt gesteld. Nu stelle men Va = cos <p (in het algemeen wordt bij ax" -f bx -f- c

V°01 2 Vac in ',laafs geteld cos <pdit is dus alleen

mogelijk, wanneer zooals in ons voorbeeld h2 4aa js) en verkrijgen dan (<p is hier blijkbaar J20°):

4 (//•-%'cox y 4.1) - 4|y—(coa lp + isin (f)] [y*—(tw tp _ is{n y)j.

De oplossing der vergelijking y = ty (cos 120° ± i sin 120°) levert nu verder y = (30°), (120°), (210°) en (300=), zoodat de factoren worden %2 _ <>y cos 30° + 1) X enz. ].

Sluiten