Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loopen de drie categorieën op velerlei wijzen in elkander over. Toch behouden wij ten slotte tot do onderscheiding van de drie volkomen vrijmoedigheid.

Letterlijk overeenkomende in schier onafgebroken volgorde zijn slechts de stukken, die de familiegeschiedenis van Clemens behelzen: Ree. I 1-19, verg. Hom. I 1—22; Ree. VII 1—38, verg. Hom. XII, XIII; Ree. X 52b—65, verg. Hom. XX 11—23. Het loont de moeite de mate van overeenkomst nader te bezien.

Wat het eerste deel betreft, het bevat de geschiedenis van Clemens tot aan zijn kennismaking met Petrus te Caesarea. Het geeft reeds dadelijk een denkbeeld van den onbeholpen aard dezer „Schriftstellerei." Als Clemens de prediking van Barnabas gehoord heeft, begrijpt hij niet alleen terstond, dat deze waarheid sprak (Hom. I !); Ree. I 7), maar is hij onmiddellijk in staat een redevoering vol theologische bespiegeling te houden tot bestraffing der wijsgeeren en zelfs hun vragen uit te lokken (Hom. I 11, 12; Ree. I 9). Hij voorziet reeds, dat'zijn verder leven met dat der christenpredikers zal samenvallen (Hom. I 14; Ree. I 11). Ofschoon hij het eene oogenblik zijn wereldsche goederen in den steek laat om bevrediging te zoeken voor zijn ziel (Hom. I 8), berooft hij zich het andere oogenblik moedwillig van Barnabas' gezelschap ter wille van de invordering eener schuld (Hom. I 14, 15; Ree. I 11, 12). Als er van Petrus sprake is, wordt die dadelijk in conflict met Simon den Magiër, straks met „tegenstanders" gedacht (Hom. I 15, 20, 22; Ree. I 12, 17, 19), en als hij van stad tot stad heet te zullen reizen, wordt terstond Rome genoemd als het einddoel van de zwerftochten (Hom. I 16; Ree. I 13), en dezelfde Petrus, die eerst verzekert door Barnabas alles van Clemens te weten (Hom. I 16; Ree. I 13), lokt daarna opzettelijk diens mededeelingen uit (Hom. I 17; Ree. I 14), om dan weei een oordeel over de ijdelheid der wijsbegeerte van hem aan te halen, als hadde hij het ten zijnen eigenen aanlioore geveld (Hom. I 19, verg.

Ree. I 16, verg. 3). Zijn rede over den Profeet der waarheid, die den onmisbaren grondslag legt voor Clemens' geloof, wordt het eene oogenblik in eenige weinige woorden samengevat en het andere oogenblik geacht een gansch boek te kunnen vullen, dat te gelijker tijd in opdracht van Jacobus geschreven en naar Jeruzalem gezonden wordt (Hom. I 19, 20; Ree. I 16, 17). Op doopbediening aan den voortreffelijken Clemens wordt aanvankelijk slechts het vooruitzicht geopend (Hom. I 12; Ree. I 19) en, mogen wij er hier bijvoegen, het kan bevreemding wekken, dat in de beide werken, waarin de Apostel zoo mild is met doopen, aan zijn meest geliefden volgelingde belofte eerst zoo laat wordt vervuld (Hom. XI 35; Ree. VI 15).

Bijna al deze zwakheden hebben de beide texten met elkander gemeen, zoodat voor zooverre er verklaring voor moet worden ge\on-

Sluiten