Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebracht (XVIII 21). Men kan vragen, waarom eerst de voorbereiding van Clemens op het bij te wonen debat over twee verschillende dagen moet worden verdeeld (II 4—34; II 38—III 28). Men kan vragen, waarom het verhaal van Petrus' reizen en predikingen moest worden afgebroken door het intermezzo van Clemens in conflict met Appion (Hom. IV—VI), een tusschenspel, waardoor aan eenvoudige spionnen, die elders meest als figuranten dienst doen, een buitengewoon zwaarwichtige rol wordt opgedragen en daarenboven de doop van Clemens noodeloos ver van zijn toetreding tot het Christendom gescheiden wordt. Vrij wat evenrediger had de stof over het raam der twintig Homilieën kunnen zijn verdeeld, vrij wat coulanter de geschiedenis, 't zij van Petrus' reizen, 't zij van de bekeering der aanzienlijke Flaviërs, zijn verhaald. De meest schoone gelegenheid dientengevolge voor critici om omwerkingen te onderstellen, interpolaties uit te lichten en lacunes aan te wijzen. Veel mogelijkheden staan hier open. Maar zoo al ,,ab esse ad posse valet consequentia", daarom geldt zij nog niet omgekeerd ,,ab posse ad esse." Naarmate de kansen te menigvuldiger zijn, moet ook de behoedzaamheid te grooter worden.

Behalve op deze meer grove eigenaardigheden dient ook nog op allerlei kleinere bijzonderheden te worden gelet.

In Hom. I 21 noodigt Petrus Clemens uit om voortaan tegenwoordig te zijn êv raTg nov avuxeifiévwv frjrt'jaeaiv. Dit meervoud van tegenstanders is slechts ten deele gerechtvaardigd, daar Simon de eenige is, met wien de Apostel in debat treedt. De bloote vermelding immers van Athenodoros als reisgenoot van Simon (XVI 1) kan toch wel niet in aanmerking komen, evenmin als het korte onderhoud van Petrus met vader Phaustos over de Genesis (XIV 3, 4).

Van de eerste berichtgevers, die als spionnen Simon's plannen aan Petrus kenbaar maken (II 37), werd niet te voren verhaald, dat zij waren uitgezonden. Slechts wordt medegedeeld, dat zekere geestverwanten van Petrus tcö Zlfuon jiqoojioii]tiT)s avveiacv.

In Hom. II 34 maakt Petrus melding van in navolging van Jezus door hem verrichte wonderen, met de bijvoeging tot zijn hoorders: „Waarbij de meesten uwer tegenwoordig geweest zijn". In het voorafgaande evenwel was van zulke wonderen nog geen sprake.

Als in Hom. II Nicetas en Aquilas verhalen wat zij van Simon weten, voeren zij gedurig zich zeiven sprekende in. Tot twee malen toe zegt Nicetas y.al u Niyijrijg ?(/•>], waar y.ayCo t'rptjv aan de orde zou geweest zijn (c. 29 en 30). Evenzoo Aquilas in c. 31. Hier viel de schrijver uit zijn rol, van het spoor gebracht door de plasticiteit zijner voorstelling. Of ook copiïsten hadden aan de verwarring schuld. Of wel „diese frappanten Inkongruenzen lassen sich offenbar nur erkliiren durch die Annahme, dass dem Verfasser der Homiliën eine

M KIjBOOM, Dc Clemens-Hnman. 11. 0

Sluiten