Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uhlhorn als ,,7.u spat" wordt afgewezen.1) Daarenboven komt daarbij voorts de vraag, of het leerbegrip der Homilieën al dan niet ,,eine Fortbildung des Elkesaitischen" is.-)

In dit verband kan ik niet nalaten te wijzen op de treffende overeenkomst in menig punt tussclien Irenaeus en onze Clementijnsclie litteratuur. Een gansche reeks parallellen ware hier op te sommen. Dat Simon Magus Hom. XVI '21 even als Iren. I 22, 2; 23, 1 uitgangspunt van ketterij heet, is van minder belang. Beiden hebben dat met Justinus, Apol. I 26, gemeen. Ook het gelijksoortig speculeeren over den tekst „Niemand kent den Vader dan de Zoon" (Hom. XVII 4; XVIII 4; Iren. II 6, 1; IV 6) of ,,Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard" (Iren. V 27 1; Hom. XI 19) laten wij rusten. Van ondergeschikte beteekenis mede is, wat bij beide auteurs door de gemeenschappelijke bestrijding van het Marcionitisme wordt in de pen gegeven. Het lasteren van den schepper, het onvermogen om goedheid en rechtvaardigheid vereenigd te denken in denzelfden God, de waan der ketters „se super Deum alterum invenisse Deum" en wel eenen „quem nemo possit cognoscere", wat er van dien aard bij Irenaeus besproken wordt (III 24, 2; 25, 2, enz.) doet als van zelve aan menige bladzijde in de Homilieën denken (b.v. Hom. XVIII 1, 11). Maar er zijn meer sprekende punten van overeenkomst. Theorieën allereerst. Daaronder reken ik niet in de eerste plaats die over den vrijen wil, als bij Iren. IV 37, 2, daar zij geheel den tijd vóór Augustinus kenmerken. Desgevraagd ook niet de oplossing van het probleem der verhouding tusschen God en den duivel, schoon hier de oplossing reeds karakteristieker wordt. Het beweren: „diabolus sibimet ipsi et reliquis factus est abscessionis caussa" (Iren. IV 41, 2) en dat hij „ex sua voluntate" van God afvallig werd (Iren. V 26, 2) is minstens een ietwat merkwaardige parallel van Hom. XIX 2 en 12. Doch hier kan nog sprake zijn van algemeen verbreide beschouwingen. Maar wij stuiten ook op leeringen, die aan een engeren kring van dogmatische of litterarische verwantschap zouden doen denken.

Men vergelijke de verzekering: „Ignorantia autem mater horum omnium — sc. aegritudinum, peccatorum" (Iren. III 5, 2) met de leer der Homilieën, dat de iïyvoia is tü>v xay.wv airia, een doodelijk vergif, dat door yva>otg moet worden uitgedreven (Hom. X 12). Of de waardeering der tegenstellingen. Licht en leven en wat dies meer zij hebben volgens Iren. IV 37, 7 geen waarde zonder het bestaan van duisternis en dood. Zoo beweert ook Hom. II 14, dat er geen dixcuov wezen zou zonder ró adiy.ov. Men leze bij Irenaeus IV 39, 2 de schildering van het beeld Gods in den mensch, leidende tot de erkenning: „custodiens compaginationem ascendes ad perfectum", of

1) S. :i(l4. 2) Uhlhorn S. 399.

Sluiten