Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

resultaat van een ingewikkeld litterarisch proces. Er gingen xtjgvyfmrn IIftqoi' aan vooraf, in tien boeken als Ree. III 75 wordt aangegeven, waarin nog wel niet de familiegeschiedenis van Clemens, maar wel zijn naam en secretariaat van Petrus een plaats vond i). Simon was daarin de vertegenwoordiger van het heidendom, gelijk in liet vorige van liet gnosticisme. Het eene is tusschen 140 en 145, het andere een weinig later ontstaan 2). Maar „langere Zeit vor der Mitte des 2 Jahrhunderts" bestond nog een derde geschrift, dat de kiem was van het geheel. Het heette tiIlérgov en was van sterk anti-paulinische strekking ;!). Al wat in het beeld van Simon magus in de Clementijnen nog duidelijk aan Paulus herinnert, is er een overblijfsel van. „Nicht blos eine gelegentliche mit antignostischen Elementen vermischte Polemik gegen Paulus, sondern ein vollstandiges Zerrbild seiner Person" behelsde dat geschrift; een parodie, die ter verheerlijking van Petrus in de eerste plaats strekken moest <). Testimonia externa voor zijn bestaan kent Lipsius niet. Wat Photius, c. 112, 113, zoo betitelt, was er een bewerking van. Ebionietisclie no<l$eis dnootó/.(dv, die Epiphanius (XXX 16) vermeldt, doen hoogstens er aan denken, en of wat Eusebius (H. E. III 3) en Hieronymus (Vir. ill. 1) met denzelfden naam aanduiden er mee te vereenzelvigen is, „muss ebenfalls dahingestellt bleiben"6). Deze leemte deert evenwel den criticus niet. Het is hem genoeg, zoo hij een litterarisch proces ontworpen heeft, dat als een aannemelijk voertuig kan worden aangemerkt der Simonslegende (i).

De vier genoemde hypothesen hebben met elkaar gemeen, dat zij aanknoopen aan Ree. III 75. Op een geheel andere baan komen wij met Uhlhorn, en weer op een andere met Langen.

1 hl hom wees er op, dat de debatten, die volgens Recognitiones te Caesarea gevoerd worden, in Homilieën verdeeld zijn over Caesarea en Laodicea"). Ofschoon hij Recognitiones doorloopend secundair achtte, scheen hem de eerste voorstelling toch de meest oorspronkelijke. Zij moest thuis behooren in een door beiden gebruikte schriftelijke bron en door den auteur van Homilieën bij de omwerking zijn prijs gegeven. Verschijnselen te over merkte hij op, die deze gissing konden rechtvaardigen. Het weder opduiken van Zacchaeus in Hom. XVII 1, de inhoudsledigheid van het debat, vermeld Hom. III 58, de na al 't voorafgaande onverklaarbare onnoozelheid van Simon in Hom. XVIII 21, het misplaatste aï'gtov in Hom. III 10 en êX»és in Hom. XVII 5, „Rückbeziehungen" als Hom. XVII 13 en XVIII 21, die op niets terugwijzen, het komen en verdwijnen van de medespelers op het tooneel, dat doet denken aan „schlechte Romanschreiber", die „ihr Personal nicht zusammenzuhalten wissen"8),

!) s. 15 ff. 2j s. 17. 3) S. Ui ff. 4) 8. 42, 45. 5) ,s. 45 f. «) S. 17 ff., 27 ff., 42 ff. 7) s. .'544 f. 8) S. 353.

Sluiten