Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Naar aanleiding van Eusebius' vermelding van jtoivejzij xal fiaxgd ovyygd/i/iaza . . . Ilêzgov dl/ y.al 'Anmoivog diaXóyovg Jiegiérovza (H. E. III 38, 5) geeft hij tusschen „eine Quelle der jetzigen Redactionen der Clementinen" en „eine unter einem veranderten Titel umlaufende Gestalt" dezer 'matsten de keus.1)

Blijkens een schrijven van Rufinus (ep. XLVI) heeft Paulinus Nolanus zich bezig gehouden niet een vertaling van Clemens en zich beklaagd, dat hij maar al te dikwijls, waar de zin der woorden hem ontging, „sensu potius apprehenso", of zelfs, eerlijk gezegd, „opinato" overzette.-) Wie verhaalt ons van deze soms al te vrije vertaling de geschiedenis?

Hieronymus citeert als door „Clemens in Periodis" aangaande Petrus bericht, dat hij „calvitiem haberet in capite". •">) Iets dergelijks komt in onze Clementijnen niet voor, terwijl bij Origenes(?) een citaat uit de 7zegtoóoi met een mededeeling uit de Recognitiones wel degelijk samenvalt.4) Ligt hier bij uiteenloopende redactiën de schuld, of moeten wij op grond van de ongelijke titels aan verschillende boeken denken? Maar dan toch aan boeken, die zekeren inhoud gemeen hebben.

Het „Chronicon paschale" citeert als door Petrus dg zd Kir]fiévzta gezegd (p. 50): ovrog 6 Neftoihd /uezotxrjoag dm) Alyimzov tig Aoovgiovg xal olxi/oag etg Nivov Tzóhv, !jv l'xzioev 'Aooovg, y.al y.n'aug Ttjv Tióhv fjng t/v Bafivkwvog Tigög rb övo/ia zijg nókemg èxaleotv. avxov XTvov rnv Nefigdió oi 'Aaavgioi Tigoayyógevoav. ovrog diódoxei 'Aaavgiovg aéjieiv ro 7zvg. êv&ev xal Tzgiinov avzóv fiaai/Ja juezd róv xazaxh'ofibv biotrjaav oi 'Aoavgioi tovzov, ov fiezatvó/iaaav Nivov. Deze plaats doet denken aan Hom. IX 5; Ree. IV 29, wat Harnack niet belet er bij te noteeren: „Findet sich so weder in den Recognit. noch in den Homil.""')

In een op naam van Chrysostomus staand „opus imperfectum in Matthaeum" komen eenige aan „Petrus apud Clementem" ontleende bijzonderheden voor, die respectievelijk in Hom. XIII 15; Ree. I 39, 65; III 31, 59, 60 weer te vinden zijn. Harnack merkt er bij op: „Ob die Citate, die nicht nothwendig wörtlich sein müssen, eine andere Redaction zwingend voraussetzen, ist nicht entschieden."(i) Hort uit zich in denzelfden geest.")

Men zal moeten toegeven, dat bij zulk een staat van zaken elke het onderzoek afsluitende conclusie voorbarig is. Moge het waar zijn, dat de laatst vermelde bijzonderheden wijzen op vergroeiingen van den oorspronkelijken tekst in latere perioden, wat er van de clementijnsche litteratuur tot ons gekomen is, draagt reeds zoozeer de

!) S. 221. Verg. Schliemann S. 340; Hort p. 32 ff. 2) Altchr. Litt. I S. 222,

225; Hort. p. 55 f. 3) Comm. ad Gal. 1 : 18. Altchr. Litt. I S. 224;

Hort p. 49 f. 5) S. 227; verg. Schliemann S. 343 f., Hort p. 57 ff. ''>) S. 224. 7) Notes p. 43 ff.

Sluiten