Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moet men bedenken, dat het niet door hem kwalijk gezegd is, maar wij niet konden inzien, dat het goed was. Want de onkunde heeft geen juist oordeel over de kennis, gelijk ook de kennis de voorwetenschap niet naar waarheid kan beoordeelen, maar de voorwetenschap aan de onkundigen kennis verschaft" (Hom. II 11). In denzelfden trant raadt ook de auteur van Recognitiones bij monde van Petrus: „Nee aliquid proprium et quod vobis non est traditum prosequamini, etiamsi vobis verisimile videatur, sed ea, ut dixi, quae ipse a vero propheta suscepta vobis tradidi, prosequamini, etiamsi minus plenae adsertionis esse videbuntur" (Ree. VIII 37). Blijkbaar is men hier een goed eind op weg naar een bedenkelijk autoriteitsgeloof, waarheen straks de tegenstelling tussclien „manifeste quidem dicta, non tarnen manifeste scripta" door de daaruit voortvloeiende behoefte aan een betrouwbaren „expositor" slechts te verder drijven zal (Ree. I 21).

Vloeien hier reeds de profeet van Galilea en de openbaring in de Schrift ineen, ook verder zien wij de grenzen verbleeken. De Ware profeet, dien men als leidsman op den weg van leer en leven te volgen heeft, neemt steeds grootere afmetingen aan. Hij is het, og U7T 'ï'J'/Jlï fikovog afin rots dvóftaai fioorfdg rUMoocjv zov aiarvn (of dycöva ?) raéyei, ore IftUov %nóva)v rry/óv, dia tov? xn/unov?

(~)eov iüéei •/otniïeis, ets dei ë£ei tï]v divdmwatv (Hom. III 20). Wij doelden reeds op het historisch proces, dat bij Adam begint en in het godsrijk eindigt1). De „zeven zuilen" der gerechtigheid zijn even zoovele steunpunten. Allen tegader met wat hen verbindt vertegenwoordigen zij de ware profetie. Reeds in Adam komt deze in volle heerlijkheid aan het licht. Met het oog op het geestelijke heil zijner nakomelingen wees hij hun den weg, die tot de liefde Gods leidde, leerende in hoedanige werken God een welbehagen heeft, en een wet stellende, u>j(f ujio jiois/uicov êfi7igt]o9ijvai Avvduevov, /itpV ino doeftovs tivos vnovoftevófievov, /irjie tvi jómo duioxexQvufiévov, d/j.d Tiaoiv dvayvioodijvai dvvd/ifvov, een eeuwige wet (Hom. VIII 10). Blijkbaar wordt hier aan het algemeen-menschelijke, aan de wet in de conscientiën gedacht. De fcl-iog noy/ov is aan het woord, aan wiens heerschappij niemand, tenzij dan vrijwillig, zich behoeft te onttrekken (Hom. VII 3), de Zoon van God, die wel niet éavrov fhöv elvai dvrjyÓQEvaiv, maar desniettemin djró i'hov was (Hom. XVI 15). Deze Zoon was dn ugyijt; vlóg en toegerust met het vermogen om de waarheid te openbaren aan wien hij wilde. Van dat vermogen maakte hij gebruik, zoodat noch Adam de eerst gevormde met hem onbekend was, noch Henoch de Gode welgevallige, noch Noach de rechtvaardige, noch Abraham de vriend des Ileeren, noch Izaak, noch Jacob. Ilaaiv rolg êv r<ö Xa<o d£ioi; viel de vereischte

1) Boven lil. 130.

Sluiten