Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en het Paulinisme geveld, strookt de onvriendelijkheid, waarmede in Recognitiones verhaald wordt van den brand, dien de op de Christenen verbitterde „inimicus homo" op den tempelberg ontstak, en van de hoogepriesterlijke „legatio", waarmede hij naar Damascus trok in de hoop er Petrus te zullen vinden, en den ondergang te bewerken van de aanhangers van het nieuwe geloof (Ree. I 70, 71), en dat alles zonder een enkele toespeling op de bekeering, die er volgens de christelijke overlevering op volgen zou.

De Twaalve dan en de Zeventig en aller hoofd Petrus vertegenwoordigen in de Clementijnen de heidenprediking. Maar de eenheid der bekeerde Heidenen met de kern van Israël wordt er in den trant van Handelingen afgebeeld in Jacobus, den broeder des Heeren, te Jeruzalem. Aan dien Jacobus, rep xvQt'rp xal tTiiaxÓJico nys uytug èxxkrjninq of imoxóxmv émaxónrp, óiénovn fiè ti/v èv 'IeQovodlt]/i ayinv 'Efionuov fxxhjninv, worden de inleidende brieven gericht ter beveiliging van de door Petrus en zijn dienaren verkondigde leer. Aan dien Jacobus heeft Clemens geregeld verslag te doen van Petrus' prediking en lotgevallen (Clem. ad Jac. 1!); Hom. I 20; Ree. III 75). Geen apostel, noch leeraar of profeet mag geloofd worden, tenzij hun prediking eerst getoetst is aan het xijovy/m van Jacobus, T(~> byjh'vTt nöe/.</fi> toï> xvot'or (Hom. XI 35; Ree. IV 35). Hij is het geestelijk hoofd der Kerk, tronende als aller bisschoppen Heer in de moedergemeente, drager en waarborg der rechtzinnigheid. Als zoodanig vertegenwoordigt hij tevens de eenheid der traditie. Schijnt Petrus naar den regel der syzygieën een jongere phase van christendom te vertegenwoordigen dan Simon, dien hij bestrijdt (Hom. II 17), en als zoodanig de „praescriptio principalitatis" van den catholiek Tertullianus te niet te doen, in Jacobus klimt niettemin de algemeene leer tot haar uitgangspunt in het Heilige land op en wordt bij voorbaat alle aanspraak van kettersche leeringen op den roem van oorspronkelijkheid onontvankelijk verklaard. Deze rechtstreeksche gemeenschap tusschen de evangeliepredikers en hun Jeruzalemsch hoofd weegt tegen de allicht tot bedenkelijke conclusies verleidende syzygieënleer ruimschoots op. Onbewust misschien, maar afdoende in elk geval, leggen onze schrijvers bij voorbaat den grondslag voor de stelling, die door de kerkelijke politiek der Catholieken in de vermaarde „successio cpiscoporum" zou worden geformuleerd.

De kerk zelve wordt met een groote stad vergeleken (Hom. III G7) en met een bruid (Hom. III 72; Ep. Cl. 7). Maar vooral, met name in den brief van Clemens aan Jacobus (c. 14, 15), met een schip. De geheele bemanning wordt daarbij opgeteld. Voor God en Christus worden de hoogste rangen gereserveerd, maar dan volgen in de rei bisschop, presbyters, diakenen, catecheten en de werkzaamheden van die allen worden omschreven. Het episcopaat vooral wordt hoogelijk gewaardeerd. Het beschikt over de sleutelen des hemels.

Sluiten