Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de zaligheid van een kuische drenkelinge, voor wie de dood in de golven de onderdompeling in het doopwater verving (Hom. XIII 20, 21). Ook zou wie de grondstelling prijsgaf in eigen oogen allicht een nrmXay/vog zijn, als hij een eerwaarde ongedoopte naar kerkelijk gebruik weerde van het gemeenschappelijk maal (Hom. XIII 9). Maar die grondstelling is onwankelbaar. En daarenboven, de heerlijkheden van den doop zijn vele. Gelijk uit het door Gods geest gedreven water in den beginne alle dingen voortkwamen, zoo heeft uit het doopwater de wedergeboorte plaats, die den smet der eerste geboorte imOv/ung te niet doet (Hom. XI 24, 26) of „ignis naturam", van de ,,ignis concupiscentiae" wel te verstaan, en daardoor „metum primae nativitatis" laat afleggen (Ree. IX 7). Is de mensch van nature „peccatis et concupiseentiis tanquam pice oblitus" en dientengevolge licht ontvlambaar, door de ,,aqua purificationis et regenerationis" wordt die ontvlambaarheid teniet gedaan (Ree. IX 10, 11), en met de bekeering volgt ontheffing van de „poena mortis" (Ree. IX 12). Al de „peccata, quae per ignorantiam commissa sunt", worden door den doop gedelgd (Ree. II 19; X 49). Hij doet de binnengeslopen daemonen wijken (Ree. II 71; IX 10; Hom. XI 26). Hij bekleedt de genoodfgden ter bruiloft met „indumenta nuptialia" (Ree. IV 35), met een Ivövfia yii/uov (Hom. VIII 21, 22). Schuldvergiffenis en reinheid zijn dat kleed. Voorwaarde van zaligheid mitsdien is de doop (Hom. XIII 13). De ongedoopten gaan „in infernum" (Ree. X 2). Alle reden dus om er naar te jagen om hem deelachtig te worden en elk uitstel te mijden. Slechts een soort van kvaaa kan er van weerhouden (Hom. XI 26). Hoog zo ffajttiaöijvai uxvr/Qwg ryuv brengt de zielen in gevaar. Immers de dag des doods is onbekend en het hóyua thov ligt er: geen ongedoopten in het Koninkrijk (Hom. XI 27; XIII 9, 21; XV 1; Ree. VI 9; X 2). Voor den afidmiciTos, al is hij evaefl&v FvaefiéaTegos, „etiamsi bonae vitae et rectae mentis praerogativa muniatur" (Ree. I 55), blijft geen hoop (Hom. XI 25). Zooveel te meer reden omgekeerd om den dag des doops aan te merken als een van groote vreugde. Dan verheugen zich de engelen en mogen de menschen geen rouw dragen (Hom. XIV 8). Bij voorkeur moet de plechtigheid voltrokken worden ,,in die festo" (Ree. III 67, 72), en ook de óiou van den dag moet hriTijdnos zijn (Hom. XIII 12). Voorts worde de doopeling zoowel door een doeltreffende voorbereiding, als door een indrukwekkende behandeling doordrongen van het besef eener boven alles gewichtige gebeurtenis. Een periode van vasten dient er aan vooraftegaan. Van den maaltijd der gedoopten worde hij zorgvuldig geweerd (Hom. XIII 4; Ree. II 71, 72). Zelfs aan een gemeenschappelijk gebed mag hij geen deel nemen (Hom. III 29; Ree. II 19). Maar verder stemme hij zich door vasten tio/Mov i'i/ifqwv (Hom. XIII 9), „jejuniis frequentibus" (Ree. III 67). Naar verkiezing kan men „breve aut longum poeni-

Sluiten