Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij voor het onderwerp dat ons bezig houdt slechts een subsidiair arakter. Van meer beteekenis in elk geval zijn de bladzijden, door eenige lateren aan de quaestie gewijd.

Hilgenfeld allereerst gaf een lijvig boek met Kritische Unterauchungen uber die Evangeliën Justins, der clementinischen Homilien und Marcions i). Bij hem treedt het onderzoek in dienst van zijn eigenaardige theorieën aangaande de Evangeliën en de Clementijnsche litteratuur. Als handig pleitbezorger van die theorieën schrijft hij:

ReCOgnlti°nen wurde» mehr gelesen und verbreitet, als die Homilien und sind so durch viele HSnde, auch durch die eines n» hmdurch gegangen. So ist es denn gekommen, dass die evangelischen Citate in den Recognitionen fast alle dem kanonischen lext weit naher gebracht sind, als die der Homilien"2). Daarmee vrijwaart hij zich van de verplichting om bij zijn onderzoek van de oor hem ouder geachte Recognitiones uit te gaan. Evenzoo wijst ii] er op, dat „die verschiedenen Bestandtheile (der Homilieën) ia derselben Kirche und derselben Partei angehören, so dass auch in en 'enutzten Evangelien eine gewisse Continuitat stattfinden wird" dit laatste om de bedenking te voorkomen, dat met de onderstelde verscheidenheid van bestanddeelen in de Homilieën te veel eenvoudioheid m den aard der citaten kwalijk strookt. Het resultaat van geheel zijn minutieus onderzoek is dan, „dass auch in den clementinischen Homilien vorzugsweise das Petrus-Evangelium, im vergleich mit Justin nut einigen weiteren Fortbildungen, daneben Matthaus, vielleicht auch Lukas, aber in keinem Falie das Evangelium Johannes benutzt ist •>)• Sloot Hilgenfeld zich daarmee bij Credner aan en herhaalde hij nog in 1866 zijn beweren in de woorden: „Petrinum evangelium... et illud evangelium non canonicum fuisse videtur quo ustinus Martyr et Pseudo-Clemens in Homiliis usi sunt" J) oen in 1893 de vondst van eenige hoofdstukken van het Petrusevangelie tot een juistere voorstelling daarvan in staat stelde trad e quaestie m een geheel ander stadium, en mocht met name Harnack het zaak achten die von Semisch, Hilgenfeld, Zahn, Bousset und T-un ^ U en ^erhandlungen über das Evangelium zu revidiren" •">) Lhlhorn had het voorrecht bij de behandeling van het onderwerp me e e kunnen beschikken over de later gevonden twintigste Homilie.

( in noopte de overeenkomst in de wijze van aanhalen bij Justinus en de Homilieën niet tot de onderstelling van een door beiden Keliikehjk gebruikt evangelie"). Als zijn slotsom wat de Homilieën betreft formuleerde hij: „Die Homilien kennen alle vier kanonischen Evangeliën, folgen vorwiegend dem Matthaus, seltener Lukas, am selten-

) 1S.)0. -) S. Ó18. ■') S. 388. 'j Novum Testamcntuiu extra canoneui

rT'.V1- 5J Br,,chstÖcke Kvang. ..".1 der Apok. des Petrus, 893 f5- -IV. 6J Die Hom. u. Rek. 1854 , 8. 134,

Sluiten