Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

erscheint" en in Hom. III 18 een aanvulling „künstlich zugespitzt aussieht", dan staan beiden ongeveer in dezelfde verhouding tot het origineel en is de hoogere oorspronkelijkheid van Recognitiones problematiek. De overeenkomst eindelijk van Ree. II 34 met Matth. 28 : 19, 20 is niet alleen geringer dan Hom. XVII 7, maar zoo gering, dat het slotwoord van het Matthaeus-evangelie er niet in te herkennen is en mitsdien de geheele bewijsplaats vervalt. Licht over de wordingsgeschiedenis der Clementijnen ontsteekt een dergelijke argumentatie niet. Wij zullen wèl doen met te berusten bij de algemeene conclusie, dat de Recognitiones, gelijk in vele andere opzichten, zoo ook door nauwere aansluiting aan den canoniek geworden bijbeltekst op een verder gevorderd stadium van catholiciteit en schriftgezag wijst. En wat de gesteldheid, den omvang of de benaming van de gebruikte oud-christelijke geschriften betreft , wie zal hier met juistheid beslissen, of vrijheid van behandeling dan wel de aard van de mondelinge of schriftelijke overlevering oorzaak eener afwijking van de canoniek geworden lezingen was? Wat den tijd van ontstaan betreft kan elk nieuw-testamentisch geschrift tot de bibliotheek van onze schrijvers behoord hebben. Van welke dier allen zij gebruik maakten, moet blijken uit de citaten. Niet door eiken criticus werden de kleinere of grootere verschillen in lezing op dezelfde wijze gewaardeerd. Onnoodig alle deze waardeeringen hier te herzien of ze met andere te vermeerderen. Wie er kennis mee wil maken, dien verwijzen wij naar de genoemde verhandelingen. Bij Credner vindt hij de evangeliëncitaten uit de Homilieën ,,in eine solche Verbindung, durch welche die kritische Uebersicht und Beurtheilung erleichtert wird", d. w. z. in ongeregelde volgorde afgedrukt, behoudens een register in de orde der evangeliën '). Die der Recognitiones volgen er den evangelischen draad -). Hilgenfeld volgt den draad der evangelische geschiedenis3). Uhlmann loopt ter wille van de Homilieën achtereenvolgens de evangeliën door4) en verdeelt de citaten der Recognitiones in dezulken die zij met de Homilieën gemeen hebben, in hetzelfde verband en in ongelijk verband, en anderen die zij alleen hebben, elk dezer drie soorten in „strenge Citate" en „Freiere Anspielungen" onderverdeelende5). Lehmann past een soortgelijke verdeeling bij onderscheiding van de eerste drie en de laatste zeven boeken van Recognitiones toe"). Frank en van Nes houden zich aan de volgorde der Evangeliën"). Naar gelang van het oogpunt, waaruit men de stof wenscht te bezien, vindt men dus bij den een of bij den ander zijn gading. Wij bepalen ons hier tot het registreeren van wat met meer of minder nauwkeurigheid in de beide geschriften uit

1) S. 284 ff. 299 f. 2) S. 41ti ff. ») S. 321 ff. 370 ff. J) S. 119 ff.

5) S. 138 ff. f') S. 118 ff. ") bl. J0.

Sluiten