Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

syllogismorum tendieulis enutritus et in arte magica valde exercitatus", of als ,,vehemens magus ad omnia quae' voluerit et supra modum seelestus" 1). De reeks wonderen van Homilieën wordt er niet eenige anderen aangevuld2). Als het debat begint en Petrus het opneemt voor de monarchie van den rechtvaardigen Wereldschepper, stelt Simon daar tegenover: „Ego dico muitos esse Deos, unum tarnen esse incomprehensibilem atque omnibus incognitum, horumque omnium deorum deum", en straks desgelijks het beweren: „Muitos esse deos, quorum unus est eminentior et incomprehensibilis, ipse qui est deus deorum"3), en hij put de bewijzen daarvoor uit de Schrift4). Het hem op die wijze toegeschreven polytheïsme is meer aan de polemiek der catholieken ontleend, dan aan de werkelijkheid "'). Ook het pleidooi voor het bestaan van dien verborgen Oppergod is kunstmatig. Jezus predikte „deum incomprehensibilem et incognitum", verzekert Simon, naar Matth. 11 : 27 f>). Dienovereenkomstig maakt hij melding van een ,,virtus immensae et ineffabilis lucis", aan den demiurg, Mozes en Jezus gelijkelijk onbekend7). Daar de god der wet „infirmus et imperfectus" is, wijst, meent hij, de Schrift zelf op het bestaan van een meerdere8). Deze Oppergod zou de zielen geschapen hebben, die tijdelijk in de materie besloten zijn1'). Ook die van den demiurg, die zich in zijne plaats drong10). Lux, substantia, mens, bonitas, vita, zijn even zoovele namen ter aanduiding van zijn wezen U). Het gesprek eindigt met een bespiegeling over een zesde zintuig, een ,,mentem extendere in regiones porro positas", zooals Simon het noemt12), volgens hem vereischt om in die vroeger onbekende wereld doortedringen, maar door Petrus verworpen; een bespiegeling, die blijkbaar parallel loopt met wat in de Homilieën gezegd wordt over het wezen en de onmisbaarheid der openbaring l?>). Den volgenden dag zal wederom, en dan „ex lege", over „immensae lucis aeternitas" georeerd worden, maar het onderwerp wordt verdrongen door anderen, als „duo coeli" en „unus pater" en door geredekavel over de te volgen methode, en de dag verloopt onder het stellen en vluchtig beantwoorden van vragen als: ,,Unde est malum? Quid est sui arbitrii? Quomodo bonus bona dissolvet aliquando? Si qui mundi sunt corde deum visuri sunt?" De hoofdleeringen van het Marcionitisme geraken op den achtergrond 14). En evenzoo den volgenden dag komt niet de beloofde „immortalitas animae" aan de orde, maar de verhouding van de menschen tot de waarheid 15), het belang van prac-

!) Ree. II 5, 6, verg. Hom. 1 21. 2) Ree. II 9, 12b, 14; III 47. 3) Ree. II 38, 39; verg. Hom. XVI 2. 4) Ree. II 39, 43, 44; verg. Hom. XVI 5—8, 13 10. ®) Mei/boom, Marcion, bl. 55 vgg. 72. 6) Ree. II 47; verg. Hom. XVIII 4. "') Ree. II 49. Ree. II 53, 54. 9) Ree. II 57. 10) Ree. II 57. H) Ree. II 56. 12) Ree. II 61. 13) Ree. II 61—69; verg. Hom. XVII 13—19. 14) Kee. 111 15—29. 15) Ree. III 35.

Sluiten