Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„virginaliter" volbracht heeft, wat alleen voor een „ingenitum" mogelijk is1). En vooral de verzekering, dat door die schepping de goddelijke substantie niet „ad dissensionem surrexit", noch „numero distans" werd 2). De verhouding tusschen de beiden wordt dan toegelicht met het voorbeeld van die des Geestes tot den Zoon. „Ab unigenito" is die ontstaan en als zoodanig „plenissima declaratio virtutis ejus", gelijk de Zoon het beeld was „immutabilis ingenitae virtutis", beiden als zonnebeelden in een spiegel. Voor die beelden de werkelijkheid in de plaats te stellen, zou dwaasheid zijn. Zoomin als de „Spiritus sanctus" zelf de „filius" is, evenmin is de „unigenitus" de „ingenitus." „Subconnumeratur" is de uitdrukking, die voor deze het eene uit het andere voortvloeiende wezens past:l). Men leze de duistere, maar toch zoo merkwaardige hoofdstukken na, om eenig denkbeeld te krijgen van de moeilijkheden, waarmede de geesten te worstelen hadden, die zich gesteld zagen voor de problemen van goddelijke generatie en triniteit.

Pogen wij nu de omgeving uittevinden, waarin de beschouwingen der Clementijnen op dit punt thuis behooren en waarop zij dus licht doen vallen, dan kunnen wij beginnen met de Logos-leer ter zijde te laten. Van den Logos is in onze geschriften geen sprake. Diens plaats wordt geheel door de Sophia ingenomen. In het gansche werk van Anathon Aal over de „Geschichte der Logos-idee" ') komt dientengevolge Pseudo-clemens niet voor. Daarentegen heeft Baur in zijn „Trinitatslehre" r') gedurig met hem te doen. Zoo trekt hij een parallel tusschen de jigóawjta van Sabellius in hun verhouding tot de monas en de ontvouwing van het goddelijke wezen in de Clementijnen, sprekende van „die Ausdehnung der sich zuletzt wieder in sich selbst zusammenziehenden Monas" (>). Ter verklaring van beiden verwijst hij naar het Evangelie der Egyptenaren. Daar kondigt de Heer zijn Koninkrijk aan tegen den tijd, orav yivryrai rei duo tv, y.ai ib ê£a> (5? rb eau) y.al tö aooev uetu rijg fh/Xeias, ovze hqqev ovts ïïrjkv"). Volgens Epiphanius gebruikte Sabellius dat evangelie. Baur acht het buiten twijfel, „dass das Evangelium der Aegyptier derselben speculativen Richtung des ebionitischen Judenthums angehörte, die wir aus den pseudoclementinischen Homilien naher kennen" 8). Deze Sabellius behoorde met Noëtus en Praxeas tot de eene klasse van Monarchianen, die door hun tegenstanders als Patripassianen werden gebrandmerkt, omdat zij den Christus zoo na mogelijk aan de Godheid brachten9). Daarnaast stond een tweede klasse, waaraan men verweet, dat zij een Christus xdtoiDev leerden, omdat zij allereerst den nadruk op zijn menschheid legden en dan

1) c. 9. 2) c. n. 3) c. ]]. 4) Leipzig 1899. °) Tiibingen 1841. 6) I S. 268.

?) Uiig. X. T. extra can. ree. p. 45. s) S. 274. 9) Verg. Döllinger, Hippol. u.

Kali. 1853. S. 197 ff.

Sluiten