Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met heidenen, van heidensche offermalen in de eerste plaats i). Met voorliefde, uitvoerig en bij herhaling worden vermaningen van die strekking tot de menigte gericht. De bladzijden, die er aan gewijd zijn, hebben historische waarde. Vooreerst, omdat zij aanvullen en toelichten wat wij weten aangaande de daemonologie der oude christenen, en dan ook, omdat zij een bijdrage bevatten tot de kennis van hunne polemiek tegen het heidendom.

Een van de objecten, waartegen deze polemiek zich met de meeste heftigheid richt, is de heidensche mythologie. Dr. J. J. Bleeker behandelde dit onderwerp in een academisch proefschrift -). Hij zamelde bijeen, wat de oud-christelijke litteratuur, met name die deiapologeten , aangaande dit onderwerp bevat. Het is niet weinig. Aristides concludeert in zijne pleitrede, na hunne verschillende leeringen vermeld te hebben, dat Chaldaeën, Grieken en Egyptenaren schromelijk gedwaald hebben, en verwijt aan de wijzen en verstandigen onder hen, dat zij wetten uitvaardigen, die in tegenspraak zijn met het voorbeeld der goden3). Justinus trekt parallellen tusschen wat de heidenen naar aanleiding van de maagdelijke geboorte van Jezus opmerken en de chronique scandaleuse hunner eigene goden, en wijst er ironisch op, hoe leerzaam die is voor de opgroeiende jeugd. Tot verleiding blijkbaar van het menschdom hebben booze geesten de ergerlijke mythen, volgens hem, uitgedacht 4). De Oratio ad Gh-aecos, op naam van Justinus, waarschuwt met een beroep op den inhoud der heidensche litteratuur, dat men zich door haren geest niet late verleiden, en vraagt, welke vrijmoedigheid er overblijft om het kwaad te veroordeelen, als men het in de goden verheerlijkt5). De Cohortatio ad Graecos desgelijks stelt de poëten als leermeesters der vroomheid aan de kaak en toont aan, dat men ovdèv nhjiïh mol êeooe/ieias van hen leeren kan'1). Bij Tatianus heet het, dat de goden door zich te openbaren zooals zij zijn de menschen tot navolging van hun bedenkelijk voorbeeld verleiden"). Van een graf van Zeus op Creta maakt hij gewags). De zinnelijke cultuspractijken ergerden hemi)). Athenagoras qualificeert de goden als aagxoeideïg en xgeiTTovg ïïvuov y.al ogyij? en in zooverre ongeschikt om aan inenschen voorbeelden te geven van zeifbeheersch ing11'). Ook waardeert hij de onderstelling, dat er een jiiavt] jioujnxij, een i/ vaixög Auyog in de mythologische gestalten schuilt U). Theophilus erkent in de godenverhalen herinneringen aan boosdoeners en rechtvaardigt

!) Hom. IV 4; VI 20; VII 3, 4, 8; VIII 1!), 20, 23; IX 14, 15, 23; verg. Iland. 15:29; 1 Cor. 10:19, 20, 28. -I De polemiek der eerste christenen tegen <le heidensche mythologie, 1897. 3) c. 8—13; Theol. Tijdschr. 1S93, hl. 38 vgg. 4) Apol. I 21, 23, 25, 54; II 12. 5) c. 1—4. «) c. 2, 8. 1) Or. ad Graec. 8-11, 19, 21, 34. *) c. 27. ») c. 29. W) Suppl. c. 21, 32. ») c. 22.

Sluiten